wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz hst 2 klas 1 (spieren, botten, gewrichten

Total questions: 49

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Wat doet een spier in je lichaam?

a)

Het maakt bloed aan

b)

Het zorgt ervoor dat je kunt bewegen

c)

Het geeft je energie

2.

Een groep spiervezels noem je?

a)

Spiervezelbundel

b)

Spierbundel

c)

Pezen

d)

Vlies

3.

Als je een stukje biefstuk eet dan eet je vooral...?

a)

Bot

b)

Kraakbeen

c)

Spierweefsel

d)

Huid

4.

Wat is de sterkste spier in het lichaam?

a)

Biceps

b)

Triceps

c)

Tong

d)

Pees

5.

Waardoor kunnen gewrichten makkelijk langs elkaar bewegen?

a)

Beenverbinding

b)

Gewrichtsbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Kraakbeen

6.

Bij lichaamsdeel komen de meeste blessures voor?

a)

Romp

b)

Been

c)

Hoofd

d)

Schouder

7.

Je ziet hier een type gewricht uit het menselijk lichaam. Op welke twee plekken komt dit type gewricht voor?

a)

in je schedel en tussen je vingerkootjes

b)

tussen het spaakbeen en ellepijp en in de knie

c)

in de schouder en in de elleboog

d)

in de heup en in de schouder

8.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

9.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

10.

Uit welke 3 onderdelen bestaat het skelet van de mens?

a)

Hoofd, romp en benen

b)

Hoofd, romp en armen

c)

Hoofd, romp en ledematen

d)

Hoofd, armen en benen

11.

Welk is geen functie van het skelet

a)

Stevigheid

b)

Beweging

c)

Bescherming

d)

Voelen

e)

Vorm

12.

Als er meer lijmstof in de botten zit zijn deze.

a)

Buigzamer

b)

Harder

c)

Breekbaarder

13.

Wat valt allemaal onder je ledematen?

a)

Armen

b)

Hoofd

c)

Benen

d)

Schouders

e)

Buik

14.

Wat voor een beenverbinding is te zien in het plaatje

a)

Naad

b)

Vergroeid

c)

Kraakbeen

d)

Gewricht

15.

Wat voor een verbinding is hier te zien?

a)

Naad

b)

Kraakbeen

c)

Gewricht

d)

Vergroeid

16.

Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 1?

a)

Gewrichtskom

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskogel

d)

Kapselband

17.

Welk gewricht is hier te zien?

a)

Kogelgewricht

b)

Schaniergewricht

18.

Welk gewricht is hier te zien?

a)

Scharniergewricht

b)

kogelgewricht

19.

Wat is een pees?

a)

De verbinding tussen spier en bot

b)

Het deel van de spier wat samentrekt

c)

Een beschermende laag om de spier heen

20.

Een spier bestaat uit?

a)

Spierbundels

b)

Spiervezels

c)

Bot

d)

Water

21.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

22.

Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

23.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding? (Je knie)

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

24.

De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een ...

a)

Naadverbinding

b)

Gewrichtsverbinding

c)

Kraakbeenverbinding

d)

Wervelverbinding

25.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
26.

Welke van de vier beenverbindingen is een verbinding waarbij lichte beweging mogelijk is?

a)

1: Verbinding met een naad

b)

2: Vergroeid

c)

3: Kraakbeenverbinding

d)

4: Gewricht

27.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
28.

Spieren zitten met pezen vast aan de botten

a)

waar

b)

niet waar

29.

Wat is de goede volgorde van klein naar groot?

a)

spiervezel - spier - spierbundel

b)

spier - spierbundel - spiervezel

c)

spiervezel - spierbundel - spier

d)

spierbundel - spier - spiervezel

30.

Wat doen antagonisten als ze samenwerken? (Boef en politie)

a)

Ze trekken beide de arm naar elkaar toe.

b)

De ene spier trekt, de andere ontspant of strekt de arm.

c)

Ze bewegen de arm niet.

31.

Waarmee zitten de twee botten van een gewricht aan elkaar vast?

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtskapsel

c)

Bot

32.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

33.

Bij vergroeide botten is er...

a)

Geen beweging mogelijk.

b)

Een beetje beweging mogelijk.

c)

Veel beweging mogelijk.

34.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

35.

Waardoor kan een gewricht (onder andere) soepel bewegen?

a)

Gewrichtskom

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskraakbeen

d)

Gewrichtskogel

36.

De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een ...

a)

Naadverbinding

b)

Gewrichtsverbinding

c)

Kraakbeenverbinding

d)

Wervelverbinding

37.

De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen.

a)

Juist

b)

Onjuist

38.

Het borstbeen is aangegeven met nummer

a)

5

b)

6

c)

7

d)

8

39.

Spieren met een tegengestelde werking noemen we

a)

antagonisten

b)

antisemitisme

c)

altruïsme

40.

Als je een spier aanspant wordt de spier:

a)

Langer en dikker

b)

Langer en dunner

c)

Korter en dikker

d)

Korter en dunner

41.

Welke vorm heeft de ruggengraat?

a)

Dubbele S vorm

b)

Enkele S vorm

c)

Dubbele C vorm

d)

Enkele C vorm

42.

Een functie van het skelet is ... (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Stevigheid

b)

Bescherming

c)

Beweging

43.

Zit de ellepijp aan de kant van de pink?

a)

Ja

b)

Nee

44.

Welk nummer geeft de lendenwervels aan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

45.

Nummer 14 is...

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Dijbeen

d)

Sleutelbeel

46.

Wat is je borstkas?

a)

Ribben + been + schedel

b)

Borstbeen + been + ribben

c)

Ribben + borstwervels + borstbeen

d)

Borstwervels + ribben + been

47.

Welke lichaamshouding is correct?

a)
b)
c)
d)
48.

Welke persoon breekt sneller een bot als hij valt?

a)

Een baby

b)

Een kind

c)

Een volwassene

d)

Een oudere

49.

Wat is een ander woord voor wervelkolom?

a)

Rugwervels

b)

Ruggengraat

c)

Dubbele-S-vorm

d)

Tussenwervel