wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ecologie

Total questions: 46

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.
Temperatuur
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
2.
Neerslag
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
3.
Voedselaanbod
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
4.
Soortgenoten
a)
Biotisch
b)
Abiotisch
5.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een hert in een bos?

a)

individu

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

levensgemeenschap

6.

Populaties maken deel uit van een ecosysteem.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Het aantal individuen van een bepaalde soort die samen leven in een bepaald gebied, noemen we ook wel een...….

a)

ecosysteem

b)

populatie

c)

samenleving

d)

levensgemeenschap

8.

Welke voedselketen is correct?

a)

Haring -> krill -> algen

b)

Buizerd -> veldmuis -> gras

c)

lijsterbes -> merel -> vos

d)

eik <- eekhoorn <- boommarter

9.

Wat is de producent in deze voedselketen?


Gras -> sprinkhaan -> kikker -> slang

a)

gras

b)

sprinkhaan

c)

kikker

d)

slang

10.

Wat is de consument 2e orde in de voedselketen?


Gras -> sprinkhaan -> kikker -> slang

a)

gras

b)

sprinkhaan

c)

kikker

d)

slang

11.

Welke soort organismen zijn altijd producenten?

(a)  

12.

Waar of niet waar?


Bij een piramide van aantallen is de onderste laag altijd het grootst.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Waar of niet waar?


Door uitscheiding gaat er ook energie uit de voedselketen

a)

Waar

b)

Niet waar

14.

Wat is het verschil tussen een populatie en een levensgemeenschap?

a)

Populatie is alleen de dieren, levensgemeenschap is de dieren en planten samen

b)

Populatie is een groep organismen van 1 soort, een levensgemeenschap meerdere soorten bij elkaar

c)

Een populatie zijn alle organismen in een gebied, een levensgemeenschap is alle biotische factoren bij elkaar

d)

Een populatie is een groep dieren, een levensgemeenschap zijn de dieren met alle abiotische factoren bij elkaar

15.

Welke aanpassingen verwacht je bij een plant die is aangepast aan een leven in de schaduw?

a)

veel chlorofyl

b)

groot blad

c)

klein blad

d)

dik blad

16.

Welke organisme is of welke zijn producent?

a)

Vlierbes

b)

Weegbree

c)

Bladluis

d)

Buizerd

e)

Vos

17.

Tot welk niveau van de ecologie behoren alle organismen in een bos samen?

a)

ecosysteem

b)

individu

c)

levensgemeenschap

d)

biotoop

18.

Een roodborstje bouwt een nest in een boom. Voor een roodborstje is

nestgelegenheid een biotische factor.

a)

juist

b)

onjuist

19.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
20.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan verbranding.
a)
juist
b)
onjuist
21.

Een voorbeeld van een producent is

a)

mens

b)

alg

c)

bacterie

d)

schimmel

22.

Welk begrip moet op plaats 3 en 4 worden ingevuld?

a)

fotosynthese

b)

verbranding

c)

koolstofdioxide

d)

energierijke stoffen

23.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
24.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
25.
Je ziet hier een luchtkanaal in een stengel. Deze komen voor bij...
a)
woestijnplanten
b)
schaduwplanten
c)
zonplanten
d)
waterplanten
26.
Voorjaarsbloeiers zijn...
a)
zonplanten
b)
schaduwplanten
27.
Het meest linker wortelstelsel is van een plant in een droog milieu.
a)
juist
b)
onjuist
28.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een droge omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
29.

In de afbeelding zie je een voorbeeld van een plant die is aangepast aan een vochtige omgeving.

a)
juist
b)
onjuist
30.

Waarvoor dienen de haren op bladeren van een plant?

a)

Verdamping tegen te gaan

b)

Minder aantrekkelijk zijn voor planteneters

c)

Betere zaadverspreiding

d)

Vaker geplukt worden

31.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

32.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

33.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Uitdroging

c)

Bescherming

34.

Waar op het blad verwacht je de huidmondjes bij een waterlelie?

a)

Deze heeft geen huidmondjes

b)

Aan de bovenkant van het blad

c)

Aan de onderkant van het blad

d)

Zowel aan de bovenkant als aan de onderkant van het blad

35.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Vleugels

b)

Gestroomlijnd

c)

Bescherming

d)

Voeden

36.

Wat voor soort ganger is de mens?

a)

Zoolganger

b)

Topganger

c)

Teenganger

d)

Voetganger

37.

Een snavel die goed is voor stukken vlees scheuren is een

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

38.

Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Hoefganger

b)

Teenganger

c)

Zoolganger

39.

Wat voor soort snavel heeft de eend op de afbeelding?

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

e)

Pincetsnavel

40.

Aan de poten van deze vogels valt op dat drie tenen naar voren wijzen en één teen naar achteren wijst. Hiermee kunnen deze vogels op een dunne tak staan. Welke soort vogel is dit?

a)

Loopvogels

b)

Steltvogels

c)

Watervogels

d)

Zangvogels

41.

Watvoor organismen zijn reducenten?

a)

bacteriën

b)

bacteriën en schimmels

c)

afvaleters

d)

eencellige diertjes

42.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
43.

Kruis alle aanpassingen aan leven in het water aan

a)

Gestroomlijnd lichaam

b)

Koudbloedig

c)

Vinnen

d)

Kieuwen

44.

Wat voor een soort poten heeft een hond?

a)

Zoolgangers

b)

Teengangers

c)

Topgangers

d)

Hoefgangers

45.

IJsberen in een koude omgeving hebben kleinere oren dan ijsberen in een warmere omgeving.

a)

Juist

b)

Onjuist

46.

Aan de poten van deze vogels valt op dat drie tenen naar voren wijzen en één teen naar achteren wijst. Hiermee kunnen deze vogels op een dunne tak staan. Welke soort vogel is dit?

a)

Loopvogels

b)

Steltvogels

c)

Watervogels

d)

Zangvogels