wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stevigheid en Beweging

Total questions: 52

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

Stevigheid

b)

Geeft vorm

c)

Zorgt voor hardheid

d)

Bescherming

2.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
3.

Welke organen worden door de ribbenkast beschermd?

a)

Hart en maag

b)

Longen en blaas

c)

Hart en longen

d)

Darmen en lever

4.
Oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
5.
Kraakbeen komt voor in de neus
a)
Juist
b)
onjuist
6.
Met welk nummer wordt het borstbeen aangegeven?
a)
Nummer 3
b)
Nummer 4
c)
Nummer 5
d)
Nummer 6
7.
In de loop van je leven:
a)
komen er minder kalkzouten in je botten
b)
komt er minder lijmstof in je botten
c)
blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.
d)
komt er meer lijmstof in je botten
8.
Het kuitbeen wordt aangegeven met nummer
a)
Nummer 13
b)
Nummer 14
c)
Nummer 15
9.

Welke beenderen vormen het bekken of de bekkengordel?

a)

De heupbeenderen en het heiligbeen

b)

De heupbeenderen en het staartbeen

c)

Het heiligbeen en het staartbeen

d)

Het heiligbeen en de lendewervels

10.

Welke beenderen vormen de borstkas?

a)

De wervelkolom en de ribben

b)

De borstwervels, de ribben en het borstbeen

c)

De ribben, het borstbeen en de sleutelbeenderen

d)

De borstwervels en de sleutelbeenderen

11.

Welke beenderen vormen samen de schoudergordel?

a)

Schouderbladen en de sleutelbeenderen

b)

De schouderbladen en de ribben

c)

De sleutelbeenderen en de ribben

d)

De sleutelbeenderen en de borstwervels

12.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
13.
wat zijn de bestanddelen van bot
a)
lijmstof
b)
kalkstof
c)
lijmstof en kalkstof
d)
secondelijm
14.
Wat is GEEN functie van het skelet?
a)
Bescherming
b)
Vorm
c)
Beweging
d)
Verteren
15.

Hoe heten de ruimten tussen de schedelbeenderen van een baby?

a)

Frikadellen

b)

Fontanellen

c)

Filamenten

d)

Fotonellen

16.

Waarom heb je kanaaltjes in je botten?

a)

Hier gaan je zenuwen doorheen

b)

Hier gaan je bloedvaten doorheen

c)

Hierdoor blijf je drijven in water

17.
Welk type gewricht zit er tussen het opperarmbeen en de onderarm?
a)
Scharniergewricht
b)
Rolgewricht
c)
Kogelgewricht
18.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
19.
Waar in mijn lichaam heb ik een kogelgewricht?
a)
pols
b)
heup
c)
elleboog
d)
enkel
20.
Nummer 2 is de?
a)
gewrichtskogel
b)
gewrichtskom
c)
gewrichtssmeer
d)
kraakbeenlaagje
21.
Welk onderdeel zorgt voor bescherming tegen slijtage?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
22.
De botten in je vingertopjes noem je ...
a)
Handwortelbeentjes
b)
Middenhandsbeentjes
c)
Vingerkootjes
d)
Topbotjes
23.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
24.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
25.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
26.
Welk type gewricht zit er tussen het opperarmbeen en de onderarm?
a)
Scharniergewricht
b)
Rolgewricht
c)
Kogelgewricht
27.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
28.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
29.
Oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
30.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
zadelgewricht
31.
Wat is je borstkas
a)
ribben + been + schedel
b)
borstbeen + been + ribben
c)
ribben + borstwervels + borstbeen
d)
borstwervels + ribben + been
32.
Kalk lost op in zoutwater
a)
Juist
b)
Onjuist
33.
Lijmstof verbrandt in een vlam
a)
Juist
b)
onjuist
34.
Been is buigzamer dan kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
35.
Hoe heet deel 3?
a)
Spier
b)
Antagonist
c)
Pees
d)
bot
36.
Wat voor vorm moet je wervelkolom hebben bij een juiste houding?
a)
Rechte-I-vorm
b)
Dubbele-I-vorm
c)
Enkele-S-vorm
d)
Dubbele-S-vorm
37.

Welk bot is gebroken?

a)

Vingerkootje

b)

Handwortelbeentje

c)

Middenhandsbeentje

38.

Wat is de functie van nummer 2?

a)

vering

b)

signalen doorgeven via zenuwen

c)

bewegen

d)

vast houden van ribben

e)

stevigheid geven aan de wervelkolom

39.

Is een dinosauriër een hoefganger, een teenganger of een zoolganger?

a)

Topganger

b)

Teenganer

c)

Zoolganger

40.

Waardoor wordt de knieschijf op haar plek gehouden?

a)

gewrichtsband

b)

meniscus

c)

gewricht

d)

naadverbinding

41.

Wat is er in deze afbeelding aan de hand?

a)

Verstuiking

b)

Ontwrichting

c)

Botbreuk

d)

Spierscheuring

42.

Deze persoon heeft haar gewrichtskapsel te ver uitgerekt. Dit noemen wij een ................................

a)

Kneuzing

b)

Verstuiking

c)

Voetbalknie

d)

Spierscheuring

e)

Ontwrichting

43.

Hoe heet onderdeel 4?

a)

Kapselbanden

b)

Knieband

c)

Gewrichtskaspel

d)

Gewrichtsbanden

44.

De botten van een bejaarde en van een kind worden vergeleken op breekbaarheid en buigzaamheid.

De botten van een kind zijn:

a)

breekbaarder en buigzamer

b)

breekbaarder en minder buigzaam

c)

minder breekbaar en buigzamer

d)

minder breekbaar en minder buigzaam

45.
De beenderen bij baby's bestaan voornamelijk uit kraakbeen
a)
Juist
b)
Onjuist
46.
Bevat een dijbeen van een oudere vooral veel kalk of veel lijmstof?
a)
Kalk
b)
Lijmstof
47.
Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
48.
Kraakbeen komt voor in de neus
a)
Juist
b)
onjuist
49.
Been is buigzamer dan kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
50.
Het kuitbeen wordt aangegeven met nummer
a)
Nummer 13
b)
Nummer 14
c)
Nummer 15
51.
Wat voor vorm moet je wervelkolom hebben bij een juiste houding?
a)
Rechte-I-vorm
b)
Dubbele-I-vorm
c)
Enkele-S-vorm
d)
Dubbele-S-vorm
52.

Een giraffe is een...

a)

zoolganger

b)

teenganger

c)

topganger