wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Skelet beenverbindingen

Total questions: 49

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
2.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
3.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 6?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
4.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 14?
a)
Ellepijp
b)
Sleutelbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
5.

Bot nummer 2 is het ...

a)

Heupbeen

b)

Schouderblad

c)

Schedel

d)

Opperarmbeen

6.

Nummer 7 zijn.....

a)

Teenkootjes

b)

Vingerkootjes

c)

Middenhandsbeentjes

d)

Middenvoetsbeentjes

7.

Nummer 7 zijn

a)

halswervels

b)

borstwervels

c)

rugwervels

d)

lendenwervels

8.

Nummer 24 is

a)

Dijbeen

b)

Opperarmbeen

c)

Schouderblad

d)

Sleutelbeen

9.

Nummer 12 is ...

a)

Dijbeen

b)

Spaakbeen

c)

Kuitbeen

d)

Scheenbeen

10.

Nummer 20 zijn ....

a)

Middenvoetsbeentjes

b)

Middenhandsbeentjes

c)

Handwortelbeentjes

d)

Voetwortelbeentjes

11.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 5?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
12.

Welk bot wordt aangewezen door nummer 8?

a)

Heupbeen

b)

Spaakbeen

c)

Staartbeen

d)

Heiligbeen

13.

Welk bot wordt aangewezen door nummer 16?

a)

Spaakbeen

b)

Ellepijp

c)

Handwortelbeentjes

d)

Borstbeen

14.

Is een gewricht een beenverbinding?

a)

Ja

b)

Nee

15.

Wat voor type gewricht is je schouder?

a)

Kogelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Scharniergewricht

16.

Welk type gewricht zie je hier?

a)

Kogelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Scharniergewricht

17.

Welk nummer staat bij een rolgewricht?

a)

1

b)

2

c)

3

18.
Welk type gewricht zit tussen schouderblad en opperarmbeen?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
19.

Wat voor een type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

20.

Wat voor een type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

21.

Waarmee zitten de twee botten van een gewricht aan elkaar vast?

a)

Kraakbeen

b)

Gewrichtskapsel

c)

Bot

22.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is...

a)

het opperarmbeen

b)

het dijbeen

c)

het heiligbeen

23.

Bij vergroeide botten is er...

a)

geen beweging mogelijk

b)

een beetje beweging mogelijk

c)

veel beweging mogelijk

24.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen...

a)

niet bewegen ten opzichte van elkaar

b)

een beetje bewegen ten opzichte van elkaar

c)

veel bewegen ten opzichte van elkaar

25.

Welke verbinding zit er tussen je ribben en je borstbeen?

a)

Gewricht

b)

Kraakbeen

c)

Naad

d)

Vergroeid

26.

Waardoor kan een gewricht (onder anderen) soepel bewegen?

a)

Gewrichtskom

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskraakbeen

d)

Gewrichtskogel

27.

Het gewricht is:

a)

Verbinding tussen twee botten

b)

Een verbinding tussen kraakbeen en been

c)

Een verbinding tussen twee schedelbeenderen.

28.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
29.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
30.

Het gewrichtssmeer zorg voor een:

a)

Een stroeve beweging

b)

Een rolbeweging

c)

Soepele beweging

d)

Een scharnierbeweging

31.

In het gewricht zitten de kraakbeenlaagjes op:

a)

De kapselbanden

b)

Op de bovenkant van de kop en kom

c)

Tussen de botten

d)

Om de botten heen

32.

Wat gaat de slijtage van de botten tegen?

a)

Kraakbeenlaagjes

b)

Gewrichtssmeer

c)

De kop

d)

De kom

33.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
34.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
35.

Het zenuwstelsel bestaat uit meerdere organen. Het Centrale Zenuwstelsel bestaat uit ..

a)

De grote hersenen, de zenuwbanen en de kleine hersenen

b)

De grote hersenen, de kleine hersenen en het ruggenmerg

c)

De grote hersenen, de zenuwbanen en het ruggenmerg

d)

De grote hersenen, de hersenstam en de zenuwbanen

36.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
37.
Een ander woord voor impuls is ...
a)
Zenuw
b)
Prikkel
c)
Seintje
d)
Reactie
38.

Wat is een zintuig?

a)

Een orgaan waarmee je prikkels opvangt

b)

Een orgaan waarmee je impulsen opvangt

c)

Een onderdeel van de hersenen

d)

Een cel die impulsen vervoert door het lichaam

39.

Welke zintuigen zitten in de huid?

a)

Tast, druk, warmte, koude en pijn

b)

Tast, druk, warmte, koude en gehoor

c)

Warmte, koude, zicht en pijn

d)

Smaak en reuk

40.

Welk deel van een zintuig maakt impulsen wanneer het prikkels opvangt?

a)

De tastknopjes

b)

De zintuigcellen

c)

De zenuwcellen

d)

De impulscellen

41.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
42.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
43.
Elk zintuig is gevoelig voor
a)
dezelfde prikkel
b)
geen prikkel
c)
veel prikkels
d)
een eigen prikkel
44.
Zenuwen zitten
a)
nergens in je lichaam
b)
overal in je lichaam
c)
ergens in je lichaam
d)
ergens buiten je lichaam
45.
Zenuwen, ruggenmerg en hersenen vormen samen
a)
het skelet
b)
het orgaanstelsel
c)
het spierstelsel
d)
het zenuwstelsel
46.
Geluid is een
a)
zintuig
b)
waarneming
c)
prikkel
d)
impuls
47.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> impuls --> zenuw --> hersenen --> impuls --> zenuw

b)

Zintuig --> prikkel --> impuls --> hersenen --> zenuw

c)

Prikkel -> impuls --> zenuw --> hersenen --> zenuw --> impuls

d)

Zintuig --> impuls --> hersenen --> zenuw --> impuls

48.

In je huid heb je vier soorten zintuigen, welke zintuigen zijn dat?

a)

Warmtezintuigen, bloedvaten, tastzintuigen en pijnzintuigen

b)

Drukzintuigen, zweetkliertjes, bloedvaten en koudezintuigen

c)

Warmtezintuigen, tastzintuigen, koude zintuigen en drukzintuigen

49.
Het oor zorgt voor je evenwicht.
a)
Juist
b)
Onjuist