wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campbell H13: Meiose (Meiosis)

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

In sexuele voortplanting blijft het aantal chromosomen altijd gelijk omdat ... en ... elkaar afwisselen.

a)

mitose - bevruchting

b)

meiose - bevruchting

c)

meiose - mitose

d)

meiose - interfase

2.

Een eicel van een konijn bevat 22 chromosomen. Hoeveel chromosomen zijn er in een lichaamscel van een konijn aanwezig?

a)

11

b)

22

c)

44

d)

88

3.

In een diploïde cel bevinden zich 10 chromosomen. Meiose zorgt ervoor dat de dochtercellen ... chromosomen bevatten.

a)

0

b)

5

c)

10

d)

20

4.

Hoeveel paren autosomen (niet-geslachtschromosoom) bevat een mens?

a)

Dat is afhankelijk van geslacht

b)

1

c)

2

d)

22

5.

Zuster-chromatiden:

a)

Vind je alleen in mitose

b)

Vind je alleen in meiose.

c)

Is een paar chromosomen, een van de vader en een van de moeder.

d)

zijn identieke kopieën van elkaar na DNA-synthese.

6.

Wat is waar over homologe chromosomen?

a)

Ze bevinden zich alleen in dierlijke cellen.

b)

Ze bevatten informatie over dezelfde eigenschappen (genen).

c)

Ze bevinden zich in haploïde cellen.

d)

Ze komen samen in profase II.

7.

Met een haploïd organisme bedoelen we:

a)

Dat ze de helft van de chromosomen bevatten.

b)

Dat ze één chromosoom bevatten.

c)

Dan ze twee sets aan chromosomen bevatten.

d)

Dat ze één set chromosomen bevatten.

8.

Wat is een functie van mitose?

a)

Genetische diversiteit toenemen.

b)

Eicellen produceren.

c)

Zaadcellen produceren.

d)

Lichaamscellen produceren.

9.

Lichaamscellen in mensen bevatten ... sets chromosomen en noemen we daarom ...

a)

één - haploïd

b)

twee - diploïd

c)

één - diploïd

d)

twee - haploïd

10.

De meeste levenscyclussen bevatte haploïd en diploïd. De verandering van haploïd naar diploïd gebeurt:

a)

In de meiose.

b)

In de S-fase.

c)

Tijdens bevruchting.

d)

Tijdens cytokinese.

11.

Mensen hebben 46 chromosomen. Zoveel chromosomen vind je:

a)

In alle cellen in het lichaam.

b)

In de ei- en spermacellen.

c)

In de levercellen.

d)

In de cellen in anafase in mitose.

12.

Welk proces zorgt voor de helft van het aantal chromosomen.

a)

Meiose

b)

Mitose

c)

Interfase

d)

cytokinese

13.

Aan het einde van telofase I van de meiose, vind je na cytokinese:

a)

twee haploïde cellen

b)

twee diploïde cellen

c)

vier diploïde cellen

d)

vier haploïde cellen

14.

Wat is normaal het resultaat na meiose van een diploïde cel?

a)

Twee diploïde cellen

b)

Twee haploïde cellen

c)

Vier diploïde cellen

d)

Vier haploïde cellen

15.

Wat gebeurt er tijdens anafase II?

a)

Zuster-chromatiden gaan naar verschillende polen.

b)

Homologe chromosomen gaan naar verschillende polen.

c)

Chromosomen verplaatsen naar het equatoriaal vlak (midden van de cel)

d)

Celkernmembranen vormen

16.

Wat gebeurt er in anafase I van de meiose?

a)

Homologe chromosomen gaan naar verschillende polen van de cel.

b)

De cel is haploïd.

c)

Chromosomen verplaatsen naar het equatoriaal vlak (midden van de cel).

d)

Celkernmembranen vormen

17.

Wat is de functie van meiose?

a)

Om vier cellen te maken met hetzelfde aantal chromosomen als de moedercel.

b)

Om haploïde cellen te maken (met de helft van het aantal chromosomen van de moedercel).

c)

Om een cel te maken met het dubbele aantal chromosomen van de moedercel

d)

Om een exacte kopie te maken van de moedercel.

18.

Wanneer vind crossing-over plaats.

a)

Profase I

b)

Cytokinese

c)

Metafase II

d)

Metafase I

19.

Wat gebeurt alleen in de profase I van meiose?

a)

DNA-replicatie.

b)

Homologe chromosomen verplaatsen zich naar het equatoriaal vlak (midden van de cel).

c)

Het celkernmembraan breekt af.

d)

Homologe chromosomenparen gaan naast elkaar liggen

20.

Wat gebeurt er in de meiose en niet in de mitose?

a)

Het celkernmembraan verdwijnt.

b)

Gevormde cellen zijn identiek aan de moedercel.

c)

Homologe chromosomen splitsen zich

d)

Zuster-chromatiden gaan naar verschillende polen.

21.

Wat maakt meiose ingewikkelder en langer dan mitose?

a)

Er zijn twee ronden cytokinese

b)

De chromosomen reduceren tot haploïd

c)

Zorgen dat iedere dochtercel een complete set chromosomen heeft

d)

Alle antwoorden zijn correct.

22.

Als je crossing-over negeert, hoeveel mogelijke gameten (geslachtscellen) kan een diploïd organisme met 8 chromosomen dan maken?

a)

2

b)

4

c)

8

d)

16

23.

Welke factoren dragen bij een genetische diversiteit bij sexuele voortplanting?

a)

Interne bevruchting, spoellichamen, crossing-over.

b)

Onafhankelijk aanbod van chromosomen, spoellichamen, willekeurige bevruchting.

c)

Willekeurige bevruchting, onafhankelijk aanbod van chromosomen, crossing-over.

d)

Crossing-over, interne bevruchting, onafhankelijk aanbod van chromosomen.

24.

Een organisme heeft een diploïd aantal van 8 chromosomen. Hoe gaan de vier homologe chromosomenparen op het equatoriaal vlak liggen en uit elkaar tijdens meiose.

a)

De moeder chromosomen van de moeder gaan naar een pool en van de vader naar de andere pool.

b)

Ze gaan onafhankelijk van elkaar liggen wat 16 mogelijke combinaties geeft.

c)

De eerste chromosomenpaar stuurt de andere aan.

d)

De 16 chromatiden gaan samen naar één pool.