wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Industriële revolutie

Total questions: 14

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

In welk tijdvak speelde de Industriële Revolutie zich af?

a)

Pruiken en Revoluties

b)

Regenten en vorsten

c)

Steden en Staten

d)

Burgers en Stoommachines

2.

De industriële revolutie begon:

a)

in Europa rond 1800

b)

in Engeland na 1770

c)

in Frankrijk na 1815

d)

in Engeland na 1815

3.

Maak de juiste combinaties:

a)

Bourgeoisie

1.

Groep van rijke burgers

b)

Industrie

2.

Productie in fabrieken

c)

Industrialisatie

3.

Uitbreiding van de industrie

d)

Kapitalisme

4.

Economisch systeem

e)

Revolutie

5.

Ingrijpende verandering

4.

Welke uitvinding is op de afbeelding zichtbaar?

a)

Spinmachine

b)

Stoommachine

c)

Weefmachine

d)

Gloeilamp

5.

Wat is geen kenmerk van een industriële samenleving?

a)

Het grootste deel van de mensen leeft en werkt in de stad.

b)

De industrie en diensten zijn de belangrijkste middelen van bestaan.

c)

Er ontstaat een arbeidersklasse en een middenklasse.

d)

Steeds meer mensen verhuizen van stad naar platteland.

6.

Wat was het gevolg van de industrialisatie?

a)

Een bevolkingsafname

b)

Een bevolkingsgroei

7.

Waarom moest de productie in de textielnijverheid worden verhoogd?

a)

Er waren goedkopere grondstoffen beschikbaar.

b)

Er waren meer arbeiders beschikbaar.

c)

Er was meer bevolking en dus meer vraag naar kledij.

8.

Wat is een gevolg van de snellere en grotere productie van goederen in de fabrieken? (meerdere antwoorden goed)

a)

De bevolking ging groeien.

b)

Er waren minder arbeiders nodig.

c)

Kinderen konden naar school toe.

d)

Er werd meer winst gemaakt.

9.

Zet onderstaande ontwikkelingen in chronologische volgorde

a)

Verbetering van werktuigen en werkmethoden

b)

Bevolkingsgroei

c)

Groei afzetmarkt en arbeidskrachten

d)

Landbouwontwikkelingen door grootgrondbezitters

1)
2)
3)
4)
10.

Welk begrip hoort niet in het rijtje thuis:

a)

industrialisatie

b)

fabrieken

c)

machines

d)

handarbeid

11.

Welke zin is juist?

a)

Tijdens de industriële revolutie trokken mensen van de stad naar het platteland

b)

Tijdens de industriële revolutie trokken mensen van het platteland naar de stad

12.

Welke zin is juist?

a)

In de industriële samenleving wonen de meeste mensen op het platteland, en werken ze in fabrieken

b)

In de industriële samenleving wonen de meeste mensen in steden en de meeste mensen werken in fabrieken

13.

De stroomtrein werd eerst gebruikt voor het vervoeren van:

a)

arbeiders die naar de stad gingen.

b)

steenkool naar de fabrieken.

c)

katoen van de plantages naar Europa.

d)

passagiers die een dagje uit wilden.

14.

Door de uitvinding van de stoommachine ging de productie in de fabrieken omhoog.

a)

Juist

b)

Onjuist