wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Paragraaf 6.1 en 6.2

Total questions: 13

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Het tijdperk waarin we nu leven heet het:

a)

Pleistoceen

b)

Holoceen

c)

Glaciaal

d)

Interglaciaal

2.

Je ziet hier de situatie tijdens een ...... (A) in het ....... (B)

a)

A=Glaciaal

B=Holoceen

b)

A=Glaciaal

B=Pleistoceen

c)

A=interglaciaal

B=Holoceen

d)

A=interglaciaal

B=Pleistoceen

3.

In deze ijstijd bereikte het landijs Nederland:

a)

de een na laatste ijstijd (Saale-ijstijd)

b)

de laatste ijstijd (Weichselien)

4.

Het ijs kwam in Nederland tot aan de: (a)   -lijn

5.

Sediment dat onder het ijs ligt en achterblijft als de gletsjer is gesmolten noemen we: grond- (a)  

6.

mengsel van tot leem vermalen keien, vermengd met stenen. Ligt ten noorden van de HUN-lijn in de Nederlandse bodem

(a)  

7.

kijkrichting is noord. Dan is links A, midden B, rechts C

a)

A=Utrechtse Heuvelrug

B=Veluwe

C=Gelderse vallei

b)

A=Veluwe

B=Gelderse vallei

C=Utrechtse Heuvelrug

c)

A=Gelderse vallei

B=Veluwe

C=Utrechtse Heuvelrug

d)

A=Utrechtse Heuvelrug, B=Gelderse vallei

C=Veluwe

8.

het lager gelegen gebied in het midden noemen we een (a)   -bekken

9.

Na de Saale-ijstijd was Nederland een kaal landschap. De wind legde toen overal een laag ...-zand neer.

a)

klei

b)

dek

c)

löss

d)

rivier

10.

De relatieve zeespiegelstijging is in West Nederland ........... de absolute zeespiegelstijging

a)

groter dan

b)

kleiner dan

c)

gelijk aan

11.

A, B en C zijn afkomstig van stenen. D bestaat uit organisch materiaal

a)

A=Zand

B=Klei

C=Veen

D=Löss

b)

A=Zand

B=Klei

C=Löss

D=Veen

c)

A=Veen

B=Löss

C=Zand

D=Klei

d)

A=Löss

B=Klei

C=Veen

D=Zand

12.

Een groot deel van het Holoceen zag west-Nederland er net zo uit als het Waddengebied nu. Daardoor ligt er in een groot deel van west-Nederland ........ in de bodem

a)

löss

b)

rivierklei

c)

keileem

d)

zeeklei

13.

Als water nog relatief snel stroomt sedimenteert ....... (A). Als water langzaam stroomt sedimenteert ook ...... (B)

a)

A=zand

B=klei

b)

A=klei

B=zand