wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V4 H6 soorten en populaties

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

De wetenschappelijke naam van de buizerd is Buteo lagopus.

Drie andere vogels zijn: Buteo rufinus, Lagopus mutus en Lagopus lagopus.

Welke van deze drie vogels is het nauwst verwant met Buteo lagopus?

a)

Lagopus lagopus

b)

Buteo rufinus

c)

Lagopus mutus

2.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

3.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van abiotische factoren?

a)

licht, zuurstofgehalte en regen

b)

roofdieren, voedsel en soortgenoten

c)

temperatuur, water en voedsel

d)

wind, nestgelegenheid en bodem

4.
De larve van de nachtvlinder heeft een groot aantal bacteriën in zijn verteringskanaal. Deze bacteriën spelen een belangrijke rol bij de vertering van het voedsel van de larven.
Met welke biologische term wordt de relatie tussen de larve en de bacteriën aangeduid?
a)
Mutualisme 
b)
Commensalisme
c)
Parasitisme
d)
Predatie
5.

In deze grafiek is een predator-prooirelatie weergegeven. Ook aan de hand van de y-assen kun je bepalen welke soort de prooi is. Welke van onderstaande beweringen hierover is juist?

a)

Het aantal prooidieren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal predatoren per hectare, dus de linker y-as moet bij de prooidieren horen

b)

Het aantal predatoren per hectare is vrijwel altijd groter dan het aantal prooidieren per hectare, dus de rechter y-as moet bij de prooidieren horen

6.

Planten en algen vervullen in een ecosysteem de rol van?

a)

producenten

b)

reducenten

c)

consumenten van de eerste orde

d)

consumenten van de tweede orde

7.

Wat is een voorbeeld van een tolerantiegebied?

a)

De temperatuur in een gebied die varieert tussen 0o C en 30o C.

b)

De zuurgraad (pH) van het water moet voor een bepaalde vis tussen de 5 en 7 zijn om daar te kunnen leven.

c)

De verspreiding van herten op de Veluwe is willekeurig in groepen.

d)

In de Waddenzee leven er gemiddeld 0.6 krabben per m3.

8.
Het koolmeesje is ...
a)

een producent.

b)

een consument van de eerste orde.

c)

een consument van de tweede orde.

d)

een consument van de derde orde.

9.

Lijsterbes -> sprinkhaan -> kikker -> slang vormen een voedselketen.

a)

juist

b)

onjuist

10.

Welke factor is biotisch?

a)

Wind

b)

Temperatuur

c)

Predatie

d)

Stromingen in het water

11.

Smal waterweegbree (Alisma gramineum) en slank waterweegbree (Alisma lanceolatum) zijn van de/hetzelfde

a)

ras

b)

soort

c)

geslacht

d)

familie

12.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
a)
Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
b)
Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
c)
Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
13.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.