wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K3 herhaling thema 6

Total questions: 34

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
2.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
3.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
4.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
5.

Wat is biomassa?

a)

Massa van de levende organisme van de wereld

b)

Massa van de levende organisme in een gebied

c)

Massa van biologische brandstoffen

d)

Massa van de biologische producten

6.

Niet alle energie in een voedselketen wordt doorgegeven. Waar wordt per schakel energie 'verloren'?

a)

verbranding

b)

niet alles wordt opgegeten

c)

deel van de organismes sterft voordat deze worden gegeten

d)

Doordat sommige energie als reservestof wordt opgeslagen

7.
Je ziet hier een luchtkanaal in een stengel. Deze komen voor bij...
a)
woestijnplanten
b)
schaduwplanten
c)
zonplanten
d)
waterplanten
8.
Het meest linker wortelstelsel is van een plant in een droog milieu.
a)
juist
b)
onjuist
9.

Waarvoor dienen de haren op bladeren van een plant?

a)

Verdamping tegen te gaan

b)

Minder aantrekkelijk zijn voor planteneters

c)

Betere zaadverspreiding

d)

Vaker geplukt worden

10.

Op welke manier is de plant van de afbeelding aangepast aan zijn omgeving?

a)

De plant heeft huidmondjes bovenop zitten

b)

De plant heeft geen bladeren om verdamping tegen te gaan

c)

De plant groeit vroeg in het voorjaar

d)

De plant klimt omhoog om meer licht te vangen

11.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Uitdroging

c)

Bescherming

12.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Uitdroging (dikke bladeren)

b)

Bescherming (schutkleur)

c)

Voeden (betere fotosynthese)

13.

Tot welk niveau van de ecologie behoren alle organismen in een bos samen?

a)

ecosysteem

b)

individu

c)

levensgemeenschap

d)

biotoop

14.

Tot welk niveau van de ecologie behoort een hert in een bos?

a)

individu

b)

populatie

c)

ecosysteem

d)

levensgemeenschap

15.

In de afbeelding zijn enkele voedselrelaties in een levensgemeenschap in zoetwater schematisch weergegeven. Drie schakels, aangeduid met 1, 2 en 3, zijn niet ingevuld.

Bij welk nummer moet een plantensoort worden ingevuld?

a)

1

b)

2

c)

3

16.

Een regenbui is een abiotische factor

a)

juist

b)

onjuist

17.

Een roodborstje bouwt een nest in een boom. Voor een roodborstje is

nestgelegenheid een biotische factor.

a)

juist

b)

onjuist

18.
In een voedselketen gaat een deel van de energie verloren aan verbranding.
a)
juist
b)
onjuist
19.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
20.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

21.

Waarom hebben dieren aanpassingen?

a)

Omdat ze dan een voordeel hebben in hun omgeving.

b)

Omdat dieren dan sneller zijn.

c)

Door fouten bij de ontwikkeling.

d)

Hier is geen reden voor.

22.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Vleugels

b)

Gestroomlijnd

c)

Bescherming

d)

Voeden

23.

Wat voor soort ganger is de mens?

a)

Zoolganger

b)

Topganger

c)

Teenganger

d)

Voetganger

24.

Een snavel die goed is voor stukken vlees scheuren is een

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

25.

Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Hoefganger

b)

Teenganger

c)

Zoolganger

26.

Wat voor soort snavel heeft de eend op de afbeelding?

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

e)

Pincetsnavel

27.

Aan de poten van deze vogels valt op dat drie tenen naar voren wijzen en één teen naar achteren wijst. Hiermee kunnen deze vogels op een dunne tak staan. Welke soort vogel is dit?

a)

Loopvogels

b)

Steltvogels

c)

Watervogels

d)

Zangvogels

28.

Watvoor organismen zijn reducenten?

a)

bacteriën

b)

bacteriën en schimmels

c)

afvaleters

d)

eencellige diertjes

29.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
30.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
31.

Welke organismen horen op plek 1 te staan?

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Dieren

32.

Welke organismen horen op plek 2 te staan?

a)

Consumenten

b)

Producenten

c)

Reducenten

33.

Welk cijfer geeft de fotosynthese aan?

a)

1

b)

2

c)

4

d)

5

34.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden. Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied. Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei. Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen. Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.

Wie heeft gelijk?

a)
Leerling 1
b)
Leerling 2
c)
Leerling 3
d)
Leerling 4