Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

meervouden en werkwoordspelling

Total questions: 20

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

dictee

a)

dictees

b)

dictee's

c)

dicteeën

2.

pyama

a)

pyamas

b)

pyama's

c)

pyamaas

3.

zebra

a)

zebra's

b)

zebraas

c)

zebras

4.

tante

a)

tanten

b)

tants

c)

tantes

d)

tantes/tanten

5.

penalty

a)

penalty's

b)

penaltys

c)

penalties

d)

penalti's

6.

televisie

a)

televisieën

b)

televisiën

c)

televisies

7.

cadeau

a)

cadeaus

b)

cadeaux

c)

cadeau's

8.

genie

a)

geniën

b)

genieën

c)

genies

9.

technologie

a)

technologieën

b)

technologiën

c)

technologies

10.

fee

a)

fees

b)

feeën

c)

feën

11.

moskee

a)

moskees

b)

moskeeën

c)

moskeën

12.

museum

a)

museums

b)

musea

c)

musei

d)

musea/museums

13.

grens

a)

grensen

b)

grenzen

c)

grens'

14.

Als je bij de Aldi je dagelijkse boodschappen haalt, weet je zeker dat je geld​ __ (besparen)

4 lines
15.

Ik kan me niet voorstellen dat Johan zoiets dom __ (beweren) heeft.

4 lines
16.

Toen de speler de bal naast het doel schoot, __ de fans van de tegenpartij.

a)

juichten

b)

juichtten

c)

juichden

d)

juichdden

17.

(worden)__ je vader echt benoemd tot directeur?

4 lines
18.

Tegen zessen was Marleen nog snel naar de winkel __ (racen)

a)

geracet

b)

geract

c)

geraced

d)

geracd

19.

De brug bleef erg lang openstaan voor plezierjachten en daarom moest het wegverkeer lang __ (wachten)

4 lines
20.

Vul in en leg uit (in een volledige zin) waarom de twee werkwoorden in deze twee zinnen anders eindigen:

1. Als Karel doet wat hij __ (beloven) heeft, zit de kaart morgen al bij je in de bus.

2. Als Stefan iemand iets __ (beloven), kun je erop rekenen dat hij zijn belofte nakomt.

4 lines