wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2KGT T6 Ecologie B1-7

Total questions: 39

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Een regenbui is een...

a)

Abiotische factor

b)

Biotische factor

2.

Roodborstjes vormen samen met hun voedsel, de rupsen, een populatie.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Een roodborstje bouwt een nest in een boom. Voor een roodborstje is nestgelegenheid een ... factor.

a)

Abiotische

b)

Biotische

4.

Wat is een juist voorbeeld van een levensgemeenschap?

a)

Roodborstjes samen met hun voedsel (rupsen) in een bos.

b)

Alle populaties samen op de Veluwe (natuurgebied).

c)

Alle abiotische en biotische factoren op de Veluwe (natuurgebied).

d)

Alle individuen van dezelfde soort die samenleven in een bos.

5.

Wat is een juist voorbeeld van een ecosysteem?

a)

Alle abiotische factoren (water, rots, bodem, etc.) in een bos.

b)

Alle populaties samen op de Veluwe (natuurgebied).

c)

Alle abiotische en biotische factoren op de Veluwe (natuurgebied).

d)

Alle individuen van dezelfde soort die samenleven in een bos.

6.

Selecteer de biotische factoren.

a)

De bacteriën in het water.

b)

Het plastic op de grond.

c)

Zuurstof in de lucht.

d)

De poep van een koe.

e)

Het skelet van een vogel.

7.

Wat is de juiste volgorde van GROOT naar KLEIN?

a)

Ecosysteem - levensgemeenschap - populatie - individu

b)

Levensgemeenschap - populatie - ecosysteem - individu

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Ecosysteem - populatie - levensgemeenschap - individu.

8.

De tweede schakel in een voedselketen kan...

a)

Alleen een plant zijn

b)

Alleen een dier zijn

c)

Zowel een plant of een dier zijn

9.

Wat is een goed voorbeeld van reducenten?

a)

Parasieten en schimmels.

b)

Bacteriën en afvaleters

c)

Schimmels en bacteriën

d)

Afvaleters en bacteriën.

10.

De eerste schakel is ALTIJD een...

a)

Plant (producent)

b)

Plant (consument)

c)

Dier (producent)

d)

Dier (consument)

11.

Afvaleters is een ander woord voor reducenten.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Welke van deze dieren behoren tot de consumenten van de 1e orde?

a)

Alleen de haas.

b)

Alleen de vos.

c)

De wezel en de vos.

d)

Alle drie behoren daartoe.

13.

Kijk naar de afbeelding. Hoe lang is in dit voedselweb de langst mogelijke voedselketen?

a)

3 schakels

b)

4 schakels

c)

5 schakels

14.

De muis is...

a)

Producent

b)

Consument van de 1e orde

c)

Consument van de 2e orde

15.

De adelaar is in dit voedselweb consument van de...

a)

2e orde

b)

3e orde

c)

4e orde

16.

Selecteer volgens het voedselweb alle planteneters.

a)

Hert

b)

Muis

c)

Kikker

d)

Sprinkhaan

e)

Slang

17.

Selecteer volgens het voedselweb alle vleeseters.

a)

Adelaar

b)

Muis

c)

Kikker

d)

Hert

e)

Slang

18.

Een alleseter...

a)

Eet alle planten in zijn leefomgeving.

b)

Eet zowel planten als dieren.

c)

Eet alle dieren in zijn leefomgeving.

d)

Eet letterlijk alles.

19.

Het klimaat wordt bepaald door...

a)

Alleen abiotische factoren.

b)

Alleen biotische factoren.

c)

Zowel abiotische- als biotische factoren.

20.

De populatiegrootte is afhankelijk van...

a)

Alleen biotische factoren.

b)

Alleen abiotische factoren.

c)

Zowel van abiotische- als biotische factoren.

21.

De grootte van de populatie schommelt rond een evenwichtsvoorwaarde. Hoe noemen we dat?

a)

Biologische standaard

b)

Biologisch evenwicht

c)

Populatie standaard

d)

Populatie evenwicht

22.

Zangvogels die zaden eten hebben een...

a)

kegelsnavel

b)

pincetsnavel

c)

haaksnavel

d)

priemsnavel

23.

Vogels met een pincetsnavel eten...

a)

Zaden

b)

Bodemdiertjes

c)

Insecten

d)

Prooien

24.

Deze vogels hebben GEEN achterste teen.

a)

Zangvogels

b)

Roofvogels

c)

Loopvogels

d)

Watervogels

25.

Wat is er waar over een gestroomlijnde vorm?

a)

Door de vorm is er minder weerstand

b)

De kop en lijf gaan vloeiend in elkaar over

c)

Deze vorm zorgt ervoor dat dieren sneller zijn

d)

Deze dieren hebben een lijnachtig patroon op hun lichaam.

26.

Waar hebben topgangers meer voordeel?

a)

Op een verharde ondergrond.

b)

Op een zachte ondergrond.

27.

Deze bloemen verkrijgen bestuiving door...

a)

Insecten

b)

Wind

28.

Deze bloem verkrijgt bestuiving door...

a)

Insecten

b)

Wind

29.

Deze bloem verspreid zaden door...

a)

Wind

b)

Insecten

c)

Dieren

d)

Het zaad weg te schieten

30.

Deze plant is een...

a)

Zonplant, dat zie je omdat hij in de zon staat.

b)

Schaduwplant, dat zie je doordat de zijtakken zelf schaduw maken.

c)

Zonplant, dat zie je door de kleine smalle dikke bladeren.

d)

Schaduwplant, dat zie je doordat de gehele plant groen is om zoveel mogelijk zon te vangen.

31.

Wat is er waar over schaduwplanten?

a)

Hebben vaak grote bladeren.

b)

Bloeien meestal in het voorjaar.

c)

Bloeien meestal in de zomer omdat de zon dat sterker is.

d)

Groeien vaak onderin de bossen.

32.

Deze plant groeide waarschijnlijk in een...

a)

Droge omgeving

b)

Natte omgeving

33.

Bij welke planten zijn de stengels slap?

a)

Cactussen

b)

Bij landplanten, met grote, platte bladeren

c)

Bij landplanten met kleine, dikke bladeren

d)

Waterplanten

34.

In de afbeelding zie je de kringloop van water. Bij welke pijl hoort 'condensatie' te staan?

a)

Pijl 1

b)

Pijl 2

c)

Pijl 3

35.

Het proces waarbij water uit de zee in de lucht gaat noem je...?

(a)  

36.

Op welke manieren verlaat water ons lichaam?

a)

Adem

b)

Zweet

c)

Urine

d)

Ontlasting

e)

Huilen

37.

Welke organismen zorgen in de koolstofkringloop voor de vorming van glucose?

a)

Dieren

b)

Planten

c)

Schimmels

d)

Bacteriën

38.

Welk eindproduct ontstaat bij de verbranding van energierijke stoffen?

a)

Zuurstof

b)

Glucose

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

39.

Welke schakel zou weggehaald kunnen worden zonder dat de kringloop stopt?

a)

Planten

b)

Dieren

c)

Bacteriën en schimmels