wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hormonen en Zenuwen

Total questions: 70

Worksheet time: 55mins

Name
Class
Date
1.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
2.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
3.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
4.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

5.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

6.

welke smaken proef je met je tong?


a)

zoet, zout, bitter, zuur

b)

zout zoet bitter umani

c)

zoet bitter umani zuur

d)

zoet bitter umani zuur bitter

7.

welke zintuigcel is gevoeliger voor een bepaalde prikkel

a)

een zintuigcel met een lage drempelwaarde

b)

een zintuig met een hoge dremelwaarde

8.

Als je een geur ruikt, kan deze alleen verwerkt worden door een

a)

warmte zintuigecel

b)

geurzintuigcel

c)

drukzintuigcel

d)

pijnzintuigcel

9.

Het gekleurde deel van het oog heet ..

a)

Het hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

10.

In het midden van het gekleurde gedeelte van het oog zit een opening, dat is ..

a)

De hoornvlies

b)

De iris

c)

De pupil

11.

Wat geeft onderdeel 5 weer?

a)

Netvlies

b)

Glasachtig lichaam

c)

Gele vlek

12.

Wat geeft onderdeel 6 weer?

a)

Netvlies

b)

Gele vlek

c)

Vaatvlies

13.

Wat is de functie van de wenkbrauwen?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht

b)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht

c)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog

14.

Welk nummer geeft het hoornvlies aan

a)

2

b)

3

c)

4

d)

9

15.

Welk nummer geeft de oogzenuw aan

a)

1

b)

5

c)

7

d)

8

16.

'Beschermt de ogen tegen vuil en fel licht'

Deze functie hoort bij:

a)

Wenkbrauwen

b)

Wimpers

c)

Oogleden

d)

Traanvocht

e)

Traanbuizen

17.

Wat geeft onderdeel a weer?

a)

Traanbuis

b)

Traanpunt

c)

Traanklier

d)

Traankanaal

e)

Traanzak

18.

Wat is de functie van het ooglid?

a)

Beschermen je oog tegen stof en fel licht.

b)

Zorgen dat vocht en zweet niet in je oog komt.

c)

Beschermt het oog en verspreid het traanvocht.

d)

Beschermen van de onderdelen van het oog.

19.
De blinde vlek:
a)
Bevat geen zintuigcellen.
b)
Is bij blinde mensen groter.
c)
Is bij blinde mensen niet aanwezig.
d)
Bevat minder zintuigcellen.
20.

Hoeveel oogvliezen heeft een oog?

(a)  

21.

Wat is de functie van het harde oogvlies.

a)

Hierin liggen de zintuigcellen, waarin impulsen ontstaan

b)

Beschermen van het binnenste van het oog

c)

Het groter en kleiner maken van de pupil

d)

Het draaien van de oogbol in de gewenste richting

e)

Zorgt voor de voeding van het oog

22.

Met welke zintuigcel kun je bij heel weinig licht toch wat zien

a)

Staafjes

b)

Kegeltjes

23.
Wat is de adequate prikkel van het oor?
a)
Geluidstrillingen
b)
Licht
c)
Geur
d)
Waarnemen
24.
Welk antwoord is géén gehoorbeentje?
a)
Aambeeld
b)
Zadel
c)
Hamer
d)
Stijgbeugel
25.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Keelholte
b)
Buis van Eustachius
c)
Trommelholte
26.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Buis van Eustachius
b)
Gehoorgang
c)
Gehoorzenuw
27.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Gehoorbeentjes
c)
Evenwichtsorgaan
28.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Slakkenhuis
b)
Evenwichtsorgaan
c)
Gehoorbeentjes
29.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Keelholte
b)
Gehoorgang
c)
Trommelholte
30.

Via de gehoorbeentjes komen de trillingen aan bij

a)

Het trommelvlies

b)

Stijgbeugel

c)

Slakkenhuis

31.

Wat is de juiste route die de trillingen afleggen om in de hersenen te komen?

a)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

b)

Trommelvlies-gehoorgang-gehoorbeentjes-slakkenhuis-oorzenuw

c)

Gehoorgang-gehoorbeentjes-trommelvlies-slakkenhuis-oorzenuw

d)

Gehoorgang-trommelvlies-gehoorbeentjes-oorzenuw-slakkenhuis

32.

wat is de functie van de buis van Eustachius?

a)

het verder vervoeren van geluidstrillingen

b)

afvoeren van overtollig oorsmeer

c)

afvoeren van binnendringende stofdeeltjes

d)

het gelijk houden van luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies

33.

In je trommelvlies worden de geluiden doorgegeven aan je gehoorzenuw

a)

waar

b)

niet waar

34.

Wat is de functie van de oorschelp?

a)

Het opvangen van geluid

b)

Hierin zitten de gehoor zintuigen

c)

Geeft door middel van trillingen geluid door aan het slakkenhuis

35.

Welke twee holtes worden met elkaar verbonden via de buis van Eustachius?

a)

De gehoorgang en de trommelholte

b)

De trommelholte en keelholte

c)

De trommelholte en het slakkenhuis

36.

Wat is de juiste volgorde ?

a)

Zintuig- Prikkel- Impuls- Hersenen- Zenuw- Waarnemen

b)

Prikkel- Zintuig- Impuls- Zenuw- Hersenen- Waarnemen

c)

Impuls- Zintuig- Prikkel- Zenuw- Hersenen- Waarnemen

d)

Prikkel- Zintuig- Impuls- Zenuw- Waarnemen- Hersenen

37.

De bovenste huidlaag noemt men

a)

de opperhuid

b)

de lederhuid

c)

het onderhuids bindweefsel

38.

Welke huidlaag heeft volgende kenmerken?

* 1 - 3 mm dik

* bloedvaten

* lymfevaten

* klieren

* zenuwen

* zintuigcellen

a)

opperhuid

b)

lederhuid

c)

onderhuids bindweefsel

39.

Welk cijfer wijst de opperhuid aan?

a)

1

b)

2

c)

4

d)

5

40.

Welk cijfer wijst het talgkliertje aan?

a)

11

b)

12

c)

6

d)

7

41.

Welk cijfer wijst het zweetkliertje aan?

a)

11

b)

10

c)

7

d)

6

42.

In welke huidlaag wordt een tatoeage gezet?

(a)  

43.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

44.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

45.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

46.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

47.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

48.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

49.
Wat is een bewuste reactie?
a)
Schrikken
b)
Terugduwen 
c)
Knipperen met je ogen
d)
Ademen
50.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
51.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
52.
Waarom heb je reflexen?
a)
Reflexen beschermen het lichaam
b)
Omdat het leuk is
c)
Reflexen zorgen ervoor dat je weet wanneer je het warm of koud heb
53.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
54.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
55.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
56.
Waarvoor zorgt hypofyse? 
a)
Speeksel aanmaak
b)
Haargroei
c)
Botgroei
d)
Hersengroei
57.
Een persoon heeft een trage werkende schildklier. Wat gebeurt er met zo'n iemand? 
a)
Zo'n persoon word rusteloos
b)
Zo'n persoon vermagert sterk
c)
Bij zo'n persoon is de verbranding van cellen laag.
d)
Bij zo'n persoon is er veel verbranding van de cellen
58.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
59.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
60.

Hormonen zijn altijd heel langzaam.

Wat zorgt er voor dat het hormoon Adrenaline wel heel snel effect heeft.

a)

Het is een klein hormoon.

b)

Je krijgt het in één keer heel veel in je bloed.

c)

Het is een groot hormoon.

d)

Overal in je lichaam wordt Adrenaline geproduceerd.

61.

Waar in het lichaam liggen de eilandjes van Langerhans?

a)

In de alvleesklier

b)

In het hoofd

c)

Op de nieren

62.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Bij bewuste waarnemingen komen impulsen in de grote hersenen aan.

b)

De grote hersenen zorgen dat je lichaam in evenwicht blijft.

c)

In de grote hersenen worden de reflexen van het hele lichaam geregeld.

63.

Als er een vuiltje in je oog komt, knipper je met je oogleden. Dit heet ooglidreflex.

Via welk deel van het centrale zenuwstelsel verlopen de impulsen bij deze ooglidreflex?

a)

Via de grote hersenen

b)

Via de kleine hersenen

c)

Via de hersenstam

d)

Via het ruggenmerg

64.

Met welk nummer is de schildklier aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

65.

Lia eet een ijsje en wordt zich bewust van de aardbeiensmaak. Ze vindt het erg lekker en neemt snel nog een lik van het ijsje.

Met welk deel wordt Lia zich bewust van de aardbeiensmaak?

a)

P

b)

Q

66.

Zijn prikkels elektische signalen?

a)

ja

b)

nee

67.

Op het moment dat je net een maaltijd hebt gegeten en je bloedsuiker omhoog gaat, produceer je

a)

Glucagon

b)

Insuline

c)

Adrenaline

d)

Schildklierhormoon

68.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
69.

Wat is de naam van orgaan nummer 4?

a)

Lever

b)

bijnier

c)

alvleesklier

d)

schildklier

70.

Glucose (suiker) wordt uit de lichaamscellen vrijgemaakt door

a)

glucagon

b)

insuline

c)

schildkilerhormoon

d)

adrenaline