wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campbell H26: Virussen (introduction to virusses)

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Welk kenmerk kan niet verschillen tussen virussen?

a)

De aanwezigheid van een membraanenvelop.

b)

Welk type cel het kan infecteren.

c)

De aanwezigheid van metabolisme onderdelen.

d)

Enkele of dubbele strengen nucleïnezuren.

2.

Wat kan een onderdeel zijn van een virus?

a)

Enkelstrengs DNA

b)

Dubbelstrengs DNA

c)

Eiwitten

d)

Alle genoemde antwoorden

3.

Een virus dat een bacterie infecteert noem je een ?

a)

Bacteriofaag

b)

Provirus

c)

Retrovirus

d)

Bacteriovirus

4.

Wat kan een virus doen zonder gastheercel?

a)

ATP produceren voor energie.

b)

Eiwitten maken.

c)

DNA transcriptie.

d)

Niets is correct.

5.

De virale reproductiecyclus waarbij het virus de gastheercel doodt noem je de ... cyclus. Deze virussen noem je virulent.

a)

Lytische

b)

Lysogenische

c)

Retro

d)

Capside

6.

In de lytische celcyclus, ...

a)

Sterft de gastheercel en komen vele virus kopieën vrij.

b)

Wordt virus DNA in het DNA van de gastheercel ingebouwd.

c)

Vind geen DNA-replicatie plaats.

d)

Gaat de complete bacteriofaag de gastheercel in.

7.

Een bacteriofaag die het eigen DNA inbouwt in het DNA van de gastheercel noem je:

a)

Lytisch

b)

Lysogenisch

c)

Een bacteriofaag

d)

Een capsomeer

8.

Hoe zijn retrovirussen anders dan de andere virussen?

a)

Ze kunnen DNA transcriberen vanaf RNA.

b)

Ze bevatten DNA waar RNA van gemaakt kan worden.

c)

Ze kunnen alleen in levende cellen voortplanten.

d)

Ze hebben een simpelere voortplantingscyclus.

9.

Reverse transcriptase is het proces waarbij:

a)

DNA informatie gekopieerd wordt tot RNA.

b)

DNA wordt gedupliceerd.

c)

Informatie van een eiwit gekopieerd wordt tot RNA.

d)

RNA informatie gekopieerd wordt tot DNA.

10.

Waarom muteren RNA virussen meer dan DNA virussen?

a)

RNA virussen zijn altijd enkelstrengs en DNA dubbelstrengs.

b)

DNA virussen moeten langs DNA controle punten.

c)

RNA virussen zijn kleiner en muteren daarom makkelijker.

d)

RNA virussen zijn groter en hebben daarom meer mutatiepunten.

11.

Vaccinaties tegen virussen worden gemaakt van ...

a)

Antibiotica

b)

Verzwakte delen van het virus.

c)

Nucleotide blokkers.

d)

Eiwit blokkers.

12.

Waar komen virussen vandaan?

a)

Dierlijke virussen

b)

Mutaties van bestaande virussen

c)

Virussen uit nieuwe populaties

d)

Alle genoemde antwoorden zijn correct.

13.

Prionen zijn gemaakt uit:

a)

RNA moleculen

b)

Abnormaal gevormde eiwitten

c)

Gemuteerde DNA moleculen

d)

Abnormale capsiden

14.

Prionen veroorzaken ziekte door:

a)

Gifitige eiwitten te produceren.

b)

Normale eiwitten te vervormen.

c)

De vatbaarheid voor virussen te vergroten.

d)

Genen aan te passen.