wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

eindtoets Spelling

Total questions: 41

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: Het Amazonewoud (a)   (branden) tegenwoordig heviger dan ooit.

2.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: (a)   je oma al 60 jaar?

3.

Wat is dit?

a)

een pinguin

b)

een pinguïn

4.

Wat is dit?

a)

poëzie

b)

poezie

5.

Wat zijn dit?

a)

babies

b)

baby's

6.

Wat zijn dit?

a)

cadeau's

b)

cadeaus

7.

Mijn opa verzamelt ... om in zijn tuin te zetten.

a)

kabouters

b)

kabauters

8.

De ... toverde een konijn uit zijn hoed.

a)

goochelaar

b)

googelaar

9.

Mijn lievelingseten is ... met veel suiker.

a)

pannekoeken

b)

pannenkoeken

10.

Wat is de ik-vorm van raden?

a)

raad

b)

rad

c)

raat

d)

rat

11.

Wat is de ik-vorm van rijden?

a)

rijt

b)

rijd

12.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: Ik ... (durven) niet in het spookhuis.

a)

durf

b)

durv

c)

durven

13.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: ... (houden) jij ook zo van emoji's?

a)

Houd

b)

Hout

c)

Houdt

d)

Houden

14.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: De meester ... (versieren) de stoel van de juf.

(a)  

15.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: De kinderen ... (lachen) met de mopjes.

(a)  

16.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: Anna ... (rijden) met haar fiets door het bos.

(a)  

17.

De voetballer heeft de goal ... (missen).

(a)  

18.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: ... (Worden) jij afgehaald door je ouders?

(a)  

19.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: Je ... (vinden) dat toch niet erg?

(a)  

20.

Vul de zin aan met de juiste werkwoordsvorm in de tegenwoordige tijd: ... (Schrijven) Renske graag veel verhalen?

(a)  

21.

... (Antwoorden) het meisje op de quizvragen?

a)

Antwoord

b)

Antwoort

c)

Antwoordt

d)

het juiste antwoord staat hier niet

22.

Ik ... (zijn) bang van spinnen.

a)

zijn

b)

is

c)

ben

d)

heb

23.

... (Schudden) jij de kaarten even?

a)

Schut

b)

Schuddt

c)

Schudt

d)

Schud

24.

Jij ... (schudden) de kaarten.

a)

schudt

b)

schud

c)

schut

d)

schudden

25.

Mijn oma ... (bidden) elke dag drie keer.

a)

bid

b)

bidt

c)

bit

d)

bidden

26.

op vakantie gaan

a)

rijzen

b)

reizen

27.

onzeker zijn, niet weten wat je moet kiezen

a)

tweifelen

b)

twijfelen

28.

vorm van energie

a)

electriciteit

b)

elektricitijt

c)

elektriciteit

d)

electricitijt

29.
a)

politiecel

b)

polisiesel

30.

Ik zei: “Ik hou niet van appeltaart.”

a)

beginaanhaling

b)

eindaanhaling

c)

onderbroken aanhaling

31.

“Hebt u een klantenkaart?”, vroeg de kassière.

a)

beginaanhaling

b)

eindaanhaling

c)

onderbroken aanhaling

32.

calorie

a)

calorieën

b)

caloriën

33.

biografie

a)

biografieën

b)

biografiën

34.

olie

a)

oliën

b)

olieën

35.

symfonie

a)

symfonieën

b)

symfoniën

36.

knie

a)

knieën

b)

kniën

37.

industrie

a)

industriën

b)

industrieën

38.

therapie

a)

therapieën

b)

therapiën

39.

porie

a)

poriën

b)

porieën

40.

tragedie

a)

tragedieën

b)

tragediën

41.

idee

a)

ideeën

b)

ideën