Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3TW mechanica

Total questions: 33

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Een eenparige beweging is een beweging ...

a)

met een constante snelheid

b)

met een constante versnelling

c)

met een constante verdraaiing

d)

met een constante vertraging

2.

Een hoek van één graad is ...

a)

de hoek die op de omtrek een booglengte heeft gelijk aan de straal

b)

één radiaal

c)

het 360ste deel van een volledige cirkel

d)

de helft van de booglengte van een volledige cirkel

3.

1 rad is de grootte van de hoek waarvan ...

a)

de booglengte gelijk is aan 2×π×r2\times\pi\times r

b)

de booglengte gelijk is aan de diameter van de cirkel.

c)

de booglengte gelijk is aan de straal van de cirkel.

d)

de booglengte gelijk is aan de pi.

4.

De omtreksnelheid ...

a)

v=ΔsΔtv=\frac{\Delta s}{\Delta t}

b)

ω=ΔsΔt\omega=\frac{\Delta s}{\Delta t}

c)

v=Δs×Δtv=\Delta s\times\Delta t

d)

ω=Δs×Δt\omega=\Delta s\times\Delta t

5.

Rotatiefrequentie

a)

a [m/s²]

b)

v [m/s]

c)

ω\omega [rad/s]

d)

n [tr/min]

6.

Omtreksnelheid is ...

a)

v = π×d×nv\ =\ \pi\times d\times n

b)

ω=π×d×v\omega=\pi\times d\times v

c)

v=π×r×nv=\pi\times r\times n

d)

ω=an×r2\omega=a_n\times r^2

7.

De hoeksnelheid ...

a)

v=ΔsΔtv=\frac{\Delta s}{\Delta t}

b)

ω=ΔθΔt\omega=\frac{\Delta\theta}{\Delta t}

c)

v=Δs×Δtv=\Delta s\times\Delta t

d)

ω=Δs×Δt\omega=\Delta s\times\Delta t

8.

Hoeksnelheid ...

a)

v [m/s]

b)

v [rad/s]

c)

ω\omega [rad/s]

d)

ω\omega [m/s]

9.

Verband tussen omtreksnelheid v en hoeksnelheid ω ...

a)

v = ω . r

b)

v = ω / r

c)

ω = a² / r

d)

v = ω . r²

10.

De normaalversnelling ana_n is ...

a)

an=v2ra_n=\frac{v^2}{r}

b)

an=v2×ra_n=v^2\times r

c)

an=v2×da_n=v^2\times d

d)

an=vr2a_n=\frac{v}{r^2}

11.

De richting van de normaalversnelling ...

a)

is raaklijnig aan de omschreven cirkel.

b)

is steeds gericht naar het middelpunt van de cirkel.

c)

is steeds naar buiten gericht.

d)

is verschillend, afhankelijk van de draairichting van het object.

12.

Hoeksnelheid ω bij een eenparige cirkelvormige beweging is een ... grootheid

a)

vectoriële

b)

scalaire

c)

kleine

d)

dimensiloze

13.

De zin van de vector ω\omega kan je bepalen met ...

a)

de rechterhandregel

b)

de linkerhandregel

14.

30° =

a)

π\pi rad

b)

π6\frac{\pi}{6} rad

c)

2π2\pi rad

d)

π2\frac{\pi}{2} rad

15.

π rad = ...\pi\ rad\ =\ ...

a)

180°

b)

90°

c)

360°

d)

57°

16.

2 rad = ...

a)

ongeveer 115°

b)

ongeveer 180°

c)

ongeveer 360°

d)

ongeveer 230°

17.

Een lichaam wordt aan een touwtje rondgeslingerd en beschrijft een eenparige cirkelvormige beweging. Welke baan het lichaam zal beschrijven als het touwtje breekt?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

18.

De as die de beweging van het systeem aandrijft, noemt men ...

a)

de drijvende as.

b)

de gedreven as.

c)

de stilstaande as.

d)

Rikke.

19.

De riemschijf, het ketting- of tandwiel op een gedreven as is de ...

a)

ballast

b)

vlotter

c)

drijver

d)

volger

20.

De overbrengingsverhouding is de verhouding van ... .

a)

de diameter van de volger tov de diameter van de drijver.

b)

de diameter van de drijver tov de diameter van de volger.

21.

De overbrengingsverhouding i ...

a)

=n1n2=d2d1=\frac{n_1}{n_2}=\frac{d_2}{d_1}

b)

=n1n2=d1d2=\frac{n_1}{n_2}=\frac{d_1}{d_2}

c)

=n2n1=d2d1=\frac{n_2}{n_1}=\frac{d_2}{d_1}

d)

=n2n1=d1d2=\frac{n_2}{n_1}=\frac{d_1}{d_2}

22.

Een getande riem ...

a)

is mooier dan een V-riem.

b)

heeft geen slip. Een V-riem kan dat wel hebben.

c)

is soepeler.

d)

is altijd zwart.

23.

De kopcirkel is ...

a)

de buitenste cirkel van het tandwiel

b)

de binnenste cirkel van het tandwiel

c)

de cirkel waar de 2 tandwielen elkaar raken

d)

booglengte op de steekcirkel

24.

Een getande riem ...

a)

is mooier dan een V-riem.

b)

heeft geen slip. Een V-riem kan dat wel hebben.

c)

is soepeler.

d)

is altijd zwart.

25.

Deze afstand noemen we ...

a)

de steek

b)

de tandholte

c)

de tandbreedte

d)

de tandhoogte

26.

Deze afstand noemen we ...

a)

de steek

b)

de tandholte

c)

de tanddikte

d)

de tandhoogte

27.

De modulus van een tandwiel is ...

a)

pπ\frac{p}{\pi}

b)

p×πp\times\pi

c)

πp\frac{\pi}{p}

d)

π\pi

28.

De gedreven as draait ...

a)

sneller dan de drijver

b)

trager dan de drijver

c)

even snel dan de drijver

29.

Tandwiel B draait ...

a)

sneller dan tandwiel A

b)

met de wijzers van de klok

c)

tegen de wijzers van de klok

d)

evensnel als tandwiel A

30.

De gedreven as heeft het grootste toerental wanneer de riem ligt in stand ...

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

31.

De versnelling van een lichaam in een cirkelvormige beweging is ...

a)

constant

b)

negatief

c)

nul

d)

variabel

32.

De relatie tussen de omtreksnelheid en de straal is ...

a)

v = ω / r

b)

v = ω . r²

c)

v = r . ω

d)

v = r² . ω

33.

Bij een eenparige cirkelbeweging is de hoeksnelheid ...

a)

constant

b)

variabel

c)

nul

d)

negatief