Worksheetsformuleren v1
Total questions: 78
Worksheet time: 33mins
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.
het
hem
Kies het juiste verwijswoord.
De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.
hem
ze
Kies het juiste verwijswoord.
Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.
Deze, hem
Deze, haar
Dit, hem
Dit, haar
Kies het juiste verwijswoord.
De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.
hun, deze
hun, dit
zijn, deze
zijn, dit
Kies het juiste verwijswoord.
De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?
dit, hem
deze, hem
dit, ze
deze, ze
Kies het juiste verwijswoord.
Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.
die, Hij
dat, Hij
die, Het
dat, Het
Kies het juiste verwijswoord.
Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.
dat, Hij
die, Hij
dat, Zij
die, Zij
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.
dat, Hun
die, Hun
dat, Zij
die, Zij
De jongens die daar fietsen, hebben hun lampen niet aan.
Hun/zij hebben geen kinderen.
Mijn vriendin koopt alles wat/dat ze ziet.
Dat boek wil ik wel lezen, maar ... hier lijkt me niet zo spannend.
deze
die
dit
dat
Wat vind je van deze taart? ... heeft mijn zusje van zes gebakken.
Deze
Die
Dit
Dat
Ik vind de hondennaam Binky lelijk, maar ... is helemaal in.
hij
zij
het
Dit product is erg populair, ondanks de bijwerkingen die ... heeft.
hij
zij
het
Wist je dat de stichting dit jaar ... honderdjarig bestaan viert?
zijn
haar
hun
Het bewind van de dictator heeft ... langste tijd wel gehad.
zijn
haar
hun
Hij hielp mij gisteren met mijn huiswerk, ... erg aardig vond.
die
dat
wat
De koning sprak de olympisch kampioen toe en gaf ... een lintje.
hem
haar
hun
hen
De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf ... een lintje.
hem
haar
hun
hen
De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf een lintje aan ...
hem
haar
hun
hen
De koning sprak de regering toe en gaf ... een compliment.
hem
haar
hun
hen
Vandaag maakten mijn buren veel lawaai, maar vandaag hoor ik ... helemaal niet.
hem
haar
hun
hen
Carla's broer gaat vaker naar de film ...
als haar
dan haar
als zij
dan zij
De meeste jongeren geven niet zo veel geld uit ...
als jij
dan jij
als jou
dan jou
Zij kan lang niet zo goed hockeyen ...
als mij
dan mij
als ik
dan ik
Mijn vader is vier keer zo oud ...
als mij
dan mij
als ik
dan ik
Jullie kopen veel vaker nieuwe kleren ...
als ons
dan ons
als wij
dan wij
vul in: raar-...…….- raarst
(a)
Vul in (veel): Hij heeft 6 snoepjes ...…… dan ik. Ik heb er maar 2.
(a)
De vergrotende trap van lief
liever
liefst
De overtreffende trap van stom
stommer
stomst
De stellende trap van vreemd
vreemd
vreemder
de stellende trap van minst
weinig
minder
de overtreffende trap van sterk
sterker
sterkst
Wat is de vergrotende trap van 'lief'?
Liefst
Liever
Welk van deze woorden krijgt 'meest .....' als overtreffende trap?
Mooi
Enthousiast
Groot
Bijzonder
Bij welke 'trap van vergelijking' gebruik je 'als'?
Stellende
Vergrotende
Overtreffende
Bij welke 'trap van vergelijking' gebruik je 'dan'?
Stellende
Vergrotende
Overtreffende
Een enkelvoudige zin heeft ......
twee persoonsvormen
één persoonsvorm
drie persoonsvormen
Een samengestelde zin heeft ......
een persoonsvorm.
meer persoonsvormen.
Wat is het voegwoord?
Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.
wanneer
zal
zie
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!
intussen
terwijl
want
Wat is het voegwoord?
Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.
klinkt
starten
zodra
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.
mits
dus
omdat
hoewel
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.
want
hoewel
maar
indien
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.
voordat
als
nadat
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?
ook
maar
eerst
doordat
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?
maar
tevens
dan
als
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband voorbeeld?
zo
net als
omdat
bovendien
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tijdsvolgorde?
Eerst
En
Doordat
Bijvoorbeeld
Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?
Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.
Tijdsvolgorde
Tegenstelling
Oorzaak-gevolg
Opsomming
Van welk tekstverband is hier sprake?
Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.
Opsomming
Oorzaak-gevolg
Tegenstelling
Voorbeeld
Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?
Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.
Tijdsvolgorde
Oorzaak-Gevolg
Voorbeeld
Tegenstelling
Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen.
Er was een weer-alarm afgegeven. Mijn vader ging onze caravan echter toch terugbrengen naar de stalling.
Voorbeeld
Opsomming
Tegenstelling
Oorzaak-gevolg
'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'
'Maar' geeft een vergelijking aan
'Maar' geeft een tegenstelling aan
Van welk verband is sprake in de volgende zin?
Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.
Vergelijkend
Toegevend
Oorzakelijk
Opsommend
Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?
Toelichtend
Samenvattend
Chronologisch
Vergelijkend
Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?
Concluderend
Doel-middel
Voorwaardelijk
Oorzakelijk
Weet jij waar .................. boek ligt?
Vul in: jou of jouw:
Is dat ................. broer die daar loopt?
Vul in: jou of jouw:
Ik neem .................. niet meer mee.
Vul in: jou of jouw:
Hij heeft ................. nooit gemogen.
Vul in: als of dan:
Hij is veel liever..................... jij
Vul in: als of dan:
Zij zijn even oud .................... mijn zus.
