wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

formuleren v1

Total questions: 78

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

2.

Kies het juiste verwijswoord.

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.

a)

het

b)

hem

3.

Kies het juiste verwijswoord.

De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.

a)

hem

b)

ze

4.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar

5.

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.

a)

hun, deze

b)

hun, dit

c)

zijn, deze

d)

zijn, dit

6.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

7.

Kies het juiste verwijswoord.

Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.

a)

die, Hij

b)

dat, Hij

c)

die, Het

d)

dat, Het

8.

Kies het juiste verwijswoord.

Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.

a)

dat, Hij

b)

die, Hij

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

9.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

10.

Kies het juiste verwijswoord.

De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.

a)

dat, Hun

b)

die, Hun

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

11.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
De jongens die daar fietsen, hebben hun lampen niet aan.
a)
daar
b)
die
c)
hun
d)
lampen
12.
Kies het juiste verwijswoord:
Hun/zij hebben geen kinderen.
a)
hun
b)
zij
13.
Dat en wat kun je gebruiken als betrekkelijk voornaamwoord. Kies het juiste betr. vnw.
Mijn vriendin koopt alles wat/dat ze ziet.
a)
wat
b)
dat
14.

Dat boek wil ik wel lezen, maar ... hier lijkt me niet zo spannend.

a)

deze

b)

die

c)

dit

d)

dat

15.

Wat vind je van deze taart? ... heeft mijn zusje van zes gebakken.

a)

Deze

b)

Die

c)

Dit

d)

Dat

16.

Ik vind de hondennaam Binky lelijk, maar ... is helemaal in.

a)

hij

b)

zij

c)

het

17.

Dit product is erg populair, ondanks de bijwerkingen die ... heeft.

a)

hij

b)

zij

c)

het

18.

Wist je dat de stichting dit jaar ... honderdjarig bestaan viert?

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

19.

Het bewind van de dictator heeft ... langste tijd wel gehad.

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

20.

Hij hielp mij gisteren met mijn huiswerk, ... erg aardig vond.

a)

die

b)

dat

c)

wat

21.

De koning sprak de olympisch kampioen toe en gaf ... een lintje.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

22.

De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf ... een lintje.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

23.

De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf een lintje aan ...

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

24.

De koning sprak de regering toe en gaf ... een compliment.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

25.

Vandaag maakten mijn buren veel lawaai, maar vandaag hoor ik ... helemaal niet.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

26.

Carla's broer gaat vaker naar de film ...

a)

als haar

b)

dan haar

c)

als zij

d)

dan zij

27.

De meeste jongeren geven niet zo veel geld uit ...

a)

als jij

b)

dan jij

c)

als jou

d)

dan jou

28.

Zij kan lang niet zo goed hockeyen ...

a)

als mij

b)

dan mij

c)

als ik

d)

dan ik

29.

Mijn vader is vier keer zo oud ...

a)

als mij

b)

dan mij

c)

als ik

d)

dan ik

30.

Jullie kopen veel vaker nieuwe kleren ...

a)

als ons

b)

dan ons

c)

als wij

d)

dan wij

31.
Welke trap is goed?
a)
leuk-leukst-leuker
b)
leuk-leuker-leukst
32.
Welke trap is goed?
a)
mooi-mooier-mooiste
b)
mooi-mooier-mooist
33.
Welke trap is goed?
a)
goed-beter-best
b)
goed-goeder-goedst
34.
Welke trap is goed?
a)
lief-liever-liefst
b)
lief-liefer-liefst
35.
Welke trap is goed?
a)
aardig-aardiger-aardigst
b)
aardig-liever-liefst
36.
Welke trap is goed?
a)
hard-hardder-hardst
b)
hard-harder-hardst
37.
Welke trap is goed?
a)
veel-meer-meest
b)
veel-veler-veelst
38.
Welke trap is goed?
a)
weinig-minder-minst
b)
weinig-weiniger-weinigst
39.
Welke trap is goed?
a)
breed-breeder-breedst
b)
breed-breder-breedst
40.
Welke trapis goed?
a)
groot-groter-grootst
b)
groot-grooter-grootst
41.

vul in: raar-...…….- raarst

(a)  

42.

Vul in (veel): Hij heeft 6 snoepjes ...…… dan ik. Ik heb er maar 2.

(a)  

43.

De vergrotende trap van lief

a)

liever

b)

liefst

44.

De overtreffende trap van stom

a)

stommer

b)

stomst

45.

De stellende trap van vreemd

a)

vreemd

b)

vreemder

46.

de stellende trap van minst

a)

weinig

b)

minder

47.

de overtreffende trap van sterk

a)

sterker

b)

sterkst

48.

Wat is de vergrotende trap van 'lief'?

a)

Liefst

b)

Liever

49.

Welk van deze woorden krijgt 'meest .....' als overtreffende trap?

a)

Mooi

b)

Enthousiast

c)

Groot

d)

Bijzonder

50.

Bij welke 'trap van vergelijking' gebruik je 'als'?

a)

Stellende

b)

Vergrotende

c)

Overtreffende

51.

Bij welke 'trap van vergelijking' gebruik je 'dan'?

a)

Stellende

b)

Vergrotende

c)

Overtreffende

52.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

één persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

53.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

54.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

55.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

56.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

57.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

58.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

59.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.

a)

voordat

b)

als

c)

nadat

60.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

61.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

62.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband voorbeeld?

a)

zo

b)

net als

c)

omdat

d)

bovendien

63.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom
64.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tijdsvolgorde?

a)

Eerst

b)

En

c)

Doordat

d)

Bijvoorbeeld

65.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

66.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Voorbeeld

67.

Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Oorzaak-Gevolg

c)

Voorbeeld

d)

Tegenstelling

68.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen.


Er was een weer-alarm afgegeven. Mijn vader ging onze caravan echter toch terugbrengen naar de stalling.

a)

Voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

69.

'Ik vind je aardig, maar ik kan je niet helpen'

a)

'Maar' geeft een vergelijking aan

b)

'Maar' geeft een tegenstelling aan

70.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.

a)

Vergelijkend

b)

Toegevend

c)

Oorzakelijk

d)

Opsommend

71.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?

a)

Toelichtend

b)

Samenvattend

c)

Chronologisch

d)

Vergelijkend

72.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?

a)

Concluderend

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

73.
Vul in: die of dat:
Weet jij waar .................. boek ligt?
a)
die
b)
dat
74.

Vul in: jou of jouw:

Is dat ................. broer die daar loopt?


a)
jou
b)
jouw
75.

Vul in: jou of jouw:

Ik neem .................. niet meer mee.

a)
jou
b)
jouw
76.

Vul in: jou of jouw:

Hij heeft ................. nooit gemogen.

a)
jou
b)
jouw
77.

Vul in: als of dan:

Hij is veel liever..................... jij

a)
dan
b)
als
78.

Vul in: als of dan:

Zij zijn even oud .................... mijn zus.

a)
als
b)
dan

Similar Resources on Wayground