wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

B3 Herhaling Thema 5 Ecologie

Total questions: 32

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

welke energierijke stof ontstaat bij fotosynthese?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Zuurstof

2.

Wanneer en waar vind er in een plant fotosynthese plaats?

a)

alleen overdag overal in de plant

b)

alleen 's nachts in de groene delen van een plant

c)

zowel overdag als 's nachts overal in de plant

d)

alleen overdag in de groene delen van de plant

3.

Water + 1 + licht --> 2 + zuurstof

Wat moet worden ingevuld bij 1? en wat bij 2?

a)

1=Glucose, 2=Voedingsstoffen

b)

1=koolstofdioxide, 2=glucose

c)

1=voedingsstoffen, 2=glucose

d)

1=voedingsstoffen, 2=koolstofdioxide

4.

Welke van de volgende stoffen zijn energiearm?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Eiwitten

5.

De plant staat in de zon en heeft genoeg water. De muis heeft genoeg reserves voor het experiment. Kan de plant blijven leven?

a)

ja

b)

nee

6.

Je ziet op deze afbeelding een wandelend blad in de aanvalshouding. Zij staat in het licht. Zij eet bladeren. Stel er is geen voedsel voor haar, zou zij zich zelf dan in leven kunnen houden met haar eigen lichaam?

a)

ja, zij kan zelf fotosynthese doen

b)

nee, zij kan alleen verbranding doen

c)

ja, want zij kan zowel fotosynthese als verbranding doen

7.

Wanneer en waar vind er in een plant verbranding plaats?

a)

alleen overdag overal in de plant

b)

alleen 's nachts in de groene delen van een plant

c)

zowel overdag als 's nachts overal in de plant

d)

alleen overdag in de groene delen van de plant

8.

Welke bewering over de fotosynthese is juist?

a)

Bij fotosynthese worden energierijke stoffen omgezet in een energiearme stof.

b)

Bij fotosynthese worden energiearme stoffen omgezet in een energierijke stof.

c)

Bij fotosynthese worden energiearme, organische stoffen omgezet in een energiearme stof.

d)

Bij fotosynthese worden energierijke stoffen omgezet in een energierijke stof.

9.

Wilde konijnen hebben in de winter een dikkere vacht dan in de zomer (zie de afbeelding). Daardoor koelt hun lichaam minder af als het koud is.

Welke bewering over de wintervacht van deze konijnen is juist?

a)

De wintervacht is een aanpassing aan een abiotische factor.

b)

De wintervacht is een aanpassing aan een biotische factor.

c)

De wintervacht is een aanpassing aan zowel een biotische als een abiotische factor.

d)

De wintervacht is geen aanpassing aan biotische of abiotische factor.

10.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

11.

Dit is een...

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

d)

Opruimer

12.

Dit is een...

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

d)

Opruimer

13.

Welke voedselketen klopt?

a)

havik --> muis --> eik

b)

eik --> eekhoorn --> bonte specht --> havik

c)

eik --> rups --> koolmees --> havik

d)

eik --> muis --> everzwijn --> havik

14.

Planteneters kunnen voorkomen in de ........... schakel van een voedselketen

a)

eerste

b)

tweede

c)

derde of hoger

15.

Wat zijn biotische factoren?

a)

Levende factoren

b)

Niet levende factoren

16.

Wat is de goede volgorde van van klein naar groot?

a)

Individu-ecosysteem-populatie

b)

Ecosysteem-populatie-individu

c)

Individu-populatie-ecosysteem

d)

Populatie-ecosysteem-individu

17.

Wat zijn voorbeelden van Biotische factoren (meerder antwoorden zijn goed)

a)

Temperatuur van het water

b)

Watervlooien in het water

c)

Licht dat het water doordringt

d)

Gelegenheid om te schuilen onder waterleliebladeren

18.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Vleugels

b)

Gestroomlijnd

c)

Bescherming

d)

Voeden

19.

Wat voor soort ganger is de mens?

a)

Zoolganger

b)

Topganger

c)

Teenganger

d)

Voetganger

20.

Een snavel die goed is voor stukken vlees scheuren is een

a)

Priemsnavel

b)

Haaksnavel

c)

Zeefsnavel

d)

Kegelsnavel

21.

Dit is een voorbeeld van een ...

a)

Hoefganger

b)

Teenganger

c)

Zoolganger

22.

Het skelet van landdieren is over het algemeen steviger dan het skelet van waterdieren.

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Wat zijn kenmerken van schaduwplanten?

Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Ze groeien vooral in de schaduw

b)

Ze hebben lichtgroene bladeren

c)

Ze hebben donkergroene bladeren

d)

Ze hebben een uitgebreid wortelstelsel

24.

Tuimelkruid is een plant die voorkomt in warme delen van Zuid-Amerika. Deze plant heeft daardoor hele platte bladeren.

a)

Juist

b)

Onjuist

25.

De plant in de afbeelding is goed aangepast aan een droge omgeving.

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Wat kan een plant doen tegen uitdroging? (Meerdere antwoorden goed)

a)

Veel wortels

b)

Kleine dikke bladeren

c)

Grote dunne bladeren

d)

Weinig wortels

e)

Stekels op de takken

27.

Welke aanpassing is hier te zien?

a)

Voeden

b)

Uitdroging

c)

Bescherming

28.

In de afbeelding zie je een experiment met twee even grote planten: P en Q. Deze planten staan in het licht.

Welke uitspraak is juist?

a)

Plant P vormt de meeste glucose.

b)

Plant Q vormt de meeste glucose.

c)

Plant P en Q vormen evenveel glucose.

29.

Welke groep organismen leven er van energierijke stoffen van dode resten van organismen?

a)

Consumenten van de 1e orde.

b)

Consumenten van de 2e orde.

c)

Producenten

d)

Reducenten

30.

In de afbeelding zie je twee eekhoornsoorten: de gewone eekhoorn en de grijze eekhoorn.

Welke beweringen over eekhoorns zijn juist?

Meerdere antwoorden goed.

a)

De verschillende kleuren van de eekhoorns zijn aanpassingen aan het leefmilieu.

b)

De extra dikke vacht op de staart van de eekhoorn zorgt dat hij niet zo snel afkoelt.

c)

Eekhoorns in Nederland zijn aan een ander milieu aangepast dan eekhoorns in China.

d)

De tanden van de eekhoorn zijn aangepast zodat ze noten goed kunnen openbreken.

31.

De bolcactus komt voor in warme, droge gebieden.

Welke kenmerken heeft deze plant?

Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Een klein wortelstelsel.

b)

Kleine bladeren in de vorm van stekels.

c)

Opslag van water in de stengel.

d)

Veel dunne takken in de vorm van stekels.

32.

De klimop (zie de afbeelding) komt in de natuur veel voor op donkere plekken in bossen. Vanaf de donkere bodem groeit hij vooral in de lente en in de herfst richting de lichte top van een boom.

Heeft klimop meer of minder licht nodig dan de boom waar hij tegenop groeit, of heeft hij helemaal geen licht nodig?

a)

De klimop heeft meer licht nodig dan de boom waar hij tegenop groeit.

b)

De klimop heeft minder licht nodig dan de boom waar hij tegenop groeit.

c)

De klimop heeft geen licht nodig.