wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mavo 2 Zinsdelen pv ond gez lv

Total questions: 71

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de pv (persoonsvorm):

Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

2.

Wat is de pv )pseroonsvorm):

Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

3.

Wat is de pv (persoonsvorm):

Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

4.

Maandag heeft Sonja een wedstrijd in de stad.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Maandag

b)

een wedstrijd

c)

Sonja

d)

heeft

5.

Wat is het onderwerp in:

Kleding / kopen / mijn vriendinnen / altijd / in de uitverkoop.

a)

kleding

b)

mijn vriendinnen

c)

in de uitverkoop

d)

kopen

6.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Het | huis brandt

b)

Het | huis | brandt

c)

Het huis | brandt

7.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Mijn tante | koopt

b)

Mijn | tante | koopt

c)

Mijn| tante koopt

8.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Haar | vader | behangt

b)

Haar vader | behangt

c)

Haar | vader | behangt

9.

De aanvoerder was tevreden met de uitslag.

de aanvoerder=

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

10.

De aanvoerder was tevreden met de uitslag.


was

Dit zinsdeel is

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

11.

Het werkwoordelijk gezegde vind je door alle werkwoorden in de zin op te zoeken.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

Gisteravond heb ik met de hond gewandeld. 

a)

ik

b)
heb
c)
gewandeld
d)
heb gewandeld
13.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

De eenden snaterden verontwaardigd.

a)
snaterden
b)
De eenden
c)
verontwaardigd
d)
snaterden verontwaardigd
14.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

De jongens hebben zaterdag gevoetbald op het voetbalveld. 

a)
De jongens hebben
b)
hebben
c)
hebben gevoetbald
d)
hebben op het voetbalveld
15.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Op een zonnige dag /

ging ik /naar het strand.

b)

Op een zonnige dag /

ging /ik / naar het strand.

c)

Op een zonnige dag ging/ ik naar/ het strand.

16.

Wat is de pv?

Donald Duck is al meer dan 80 jaar beroemd.

a)

Donald Duck

b)

is

c)

80 jaar

d)

beroemd

17.

Wat is de pv?

De filmster liep over de rode loper langs alle fotografen.

a)

De filmster

b)

alle fotografen

c)

liep

d)

loper

18.

Wat is de pv?

Ik ontmoette de burgemeester van de stad.

a)

de burgemeester van de stad

b)

ik

c)

ontmoette

d)

stad

19.

Wat is de pv?

Meer dan 45 miljoen mensen volgen Justin Bieber op Instagram.

a)

Meer dan 45 miljoen mensen

b)

volgen

c)

Justin Bieber

d)

op Instagram

20.

Wat is de pv?

Om acht uur heeft het NOS Journaal beelden van de brand laten zien.

a)

heeft

b)

laten

c)

zien

d)

het NOS Journaal

21.

Wat is de pv?

Na het optreden hebben de journalisten allerlei vragen aan Rashid gesteld.

a)

gesteld

b)

de journalisten

c)

hebben gesteld

d)

hebben

22.

Wat is de pv?

Heeft Ruben nu alweer zijn sporttas in de kantine laten liggen?

a)

heeft

b)

laten

c)

liggen

d)

Ruben

23.

Wat is de pv?

Donald Duck is al meer dan 80 jaar beroemd.

a)

Donald Duck

b)

is

c)

80 jaar

d)

beroemd

24.

Wat is de pv?

De filmster liep over de rode loper langs alle fotografen.

a)

De filmster

b)

alle fotografen

c)

liep

d)

loper

25.

Wat is de pv?

Ik ontmoette de burgemeester van de stad.

a)

de burgemeester van de stad

b)

ik

c)

ontmoette

d)

stad

26.

Wat is de pv?

Meer dan 45 miljoen mensen volgen Justin Bieber op Instagram.

a)

Meer dan 45 miljoen mensen

b)

volgen

c)

Justin Bieber

d)

op Instagram

27.

Wat is de pv?

Om acht uur heeft het NOS Journaal beelden van de brand laten zien.

a)

heeft

b)

laten

c)

zien

d)

het NOS Journaal

28.

Wat is de pv?

Na het optreden hebben de journalisten allerlei vragen aan Rashid gesteld.

a)

gesteld

b)

de journalisten

c)

hebben gesteld

d)

hebben

29.

Wat is de pv?

Heeft Ruben nu alweer zijn sporttas in de kantine laten liggen?

a)

heeft

b)

laten

c)

liggen

d)

Ruben

30.

Wat is de pv?

Morgen gaat Amal haar kamer opruimen.

a)

Morgen

b)

gaat

c)

opruimen

d)

Amal

31.

Wat is het onderwerp?

Sem kocht gisteren een pak roze koeken.

a)

Sem

b)

kocht

c)

een pak roze koeken

d)

gisteren

32.

Wat is het onderwerp?

Esther verdeelt de pizza mozzarella in zeven stukken.

a)

verdeelt

b)

de pizza mozzarella

c)

Esther

d)

in zeven stukken

33.

Wat is het onderwerp?

Sommige kinderen tekenen fantastisch mooi.

a)

tekenen

b)

sommige kinderen

c)

kinderen

d)

fantastisch mooi

34.

Wat is het onderwerp?

50.000 jaar geleden leefden in Nederland mammoeten.

a)

leefden

b)

in Nederland

c)

mammoeten

d)

50.000 jaar geleden

35.

Wat is het onderwerp?

Gisteren versierde de feestcommissie het hele plein en het gebouw.

a)

versierde

b)

de feestcommissie

c)

het hele plein en het gebouw

d)

gisteren

36.

Wat is het onderwerp?

Gaat Mirjam de bloemen vandaag aan oma geven.

a)

Mirjam

b)

oma

c)

de bloemen

d)

gaat

37.

Wat is het onderwerp?

In de gratis versie van Spotify hoor je om de zoveel nummers reclame.

a)

reclame

b)

hoor

c)

in de gratis versie van Spotify

d)

je

38.

In welke zin staan de zinsdeelstrepen op de juiste plaats?

a)

Mijn drone landde | precies op het balkon.

b)

Mijn drone | landde precies | op het balkon.

c)

Mijn drone | landde | precies | op het balkon.

d)

Mijn | drone | landde | precies | op | het | balkon.

39.

In welke zin staan de zinsdeelstrepen op de juiste plaats?

a)

Gisteren | heeft | mijn moeder | mij | geholpen | met Engels.

b)

Gisteren heeft | mijn moeder | mij geholpen met | Engels.

c)

Gisteren | heeft | mijn moeder | mij geholpen met | Engels.

d)

Gisteren | heeft mijn moeder | mij | geholpen met Engels.

40.

In welke zin staan de zinsdeelstrepen op de juiste plaats?

a)

Mijn | nieuwe | sneakers | zijn | vernield | door | de | hond.

b)

Mijn nieuwe sneakers | zijn vernield | door de hond.

c)

Mijn nieuwe | sneakers | zijn | vernield door | de hond.

d)

Mijn nieuwe sneakers | zijn | vernield | door de hond.

41.

In welke zin staan de zinsdeelstrepen op de juiste plaats?

a)

Judith heeft | kaartjes besteld | voor het muziekfestival.

b)

Judith | heeft | kaartjes | besteld | voor het muziekfestival.

c)

Judith | heeft | kaartjes | besteld | voor | het | muziekfestival.

d)

Judith | heeft kaartjes besteld | voor het muziekfestival.

42.

In welke zin staan de zinsdeelstrepen op de juiste plaats?

a)

Dave | en | Jamie | maakten | samen | een | doelpunt.

b)

Dave en Jamie | maakten samen | een doelpunt.

c)

Dave | en Jamie | maakten | samen een doelpunt.

d)

Dave en Jamie | maakten | samen | een doelpunt.

43.

In de tweede klas moet je het lijdend voorwerp kennen.

a)

ow

b)

lv

c)

pv

d)

gez

44.

Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

ow

b)

lv

c)

pv

d)

gez

45.

Mijn vriendinnen kopen altijd kleding in de uitverkoop.

a)

ow

b)

lv

c)

pv

d)

gez

46.

De jongens hebben zaterdag een voetbalwedstrijd in Cothen.

a)

ow

b)

lv

c)

pv

d)

gez

47.

Mijn hond Bella springt vrolijk in het water.

a)

ow

b)

lv

c)

pv

d)

gez

48.

Waar wordt deze bijzondere tulp gekweekt?

a)

ow

b)

lv

c)

pv

d)

gez

49.

De persoonsvorm vind je door de zin in een andere tijd te zetten.

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Maandag heeft Sonja een wedstrijd in de stad.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Maandag

b)

een wedstrijd

c)

Sonja

d)

heeft

51.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

De eenden snaterden verontwaardigd.

a)
snaterden
b)
De eenden
c)
verontwaardigd
d)
snaterden verontwaardigd
52.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

De jongens hebben zaterdag gevoetbald op het voetbalveld. 

a)
De jongens hebben
b)
hebben
c)
hebben gevoetbald
d)
hebben op het voetbalveld
53.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin? Met vliegenmaden werden in het verleden wonden gereinigd.

a)

Met vliegemaden

b)

wonden

c)

Er staat geen lijdend voorwerp in de zin.

54.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel? Hebben jouw vader en moeder jouw kleedgeld al aan jou overgemaakt

a)

ow

b)

lv

c)

gez

55.

De vakantie kan ons niet lang genoeg duren!

Wat is in deze zin het onderwerp?

a)

De vakantie

b)

vakantie

c)

ons

d)

ons niet

56.

Benoem het onderstreepte zinsdeel

Heb jij de laatste aflevering van de luizenmoeder gezien?

a)

o

b)

pv

c)

lv

d)

gez

57.

Benoem het onderstreepte zinsdeel

Je kunt deze vraag overslaan.

a)

o

b)

lv

c)

pv

d)

gez

58.

Benoem het onderstreepte zinsdeel

De enorme regenbuien zetten ons terras onder water.

a)

pv

b)

gez

c)

o

d)

lv

59.
Benoem de pv.
Thijs heeft in het weekend meegedaan aan de triathlon.
a)
heeft
b)
weekend
c)
meegedaan
d)
Thijs
60.
Benoem de pv.
Hoezo ben je niet naar het feest gegaan?
a)
hoezo
b)
gegaan
c)
ben
d)
je
61.
Benoem het ow.
Maaike en Christel moesten 30 minuten hardlopen van de docent. 
a)
moesten
b)
Maaike
c)
Maaike en Christel
d)
de docent
62.
Benoem het ow.
Vinden jullie die nieuwe docent ook zo streng?
a)
jullie
b)
nieuwe docent
c)
vinden
d)
streng
63.
Benoem het ow.
Over een paar jaar heeft iedereen een elektrische auto.
a)
heeft
b)
een elektrische auto
c)
iedereen
d)
over een paar jaar
64.
Benoem het gez. 
Wanneer heb jij die toets gemaakt?
a)
die toets
b)
heb
c)
wanneer
d)
heb gemaakt
65.
Benoem het gez.
De winnaar kocht meteen een nieuwe Porsche.
a)
kocht
b)
meteen
c)
de winnaar
d)
een nieuwe Porsche
66.
Benoem het gez.
Hoelang heb jij naar het antwoord gezocht?
a)
Hoelang
b)
heb gezocht
c)
gezocht
d)
het antwoord
67.
Benoem het lv.
De winnaar kocht meteen een nieuwe Porsche.
a)
de winnaar
b)
een nieuwe Porsche
c)
kocht
d)
meteen
68.
Benoem het lv. 
Gisteren heb ik een cadeautje gekocht voor mijn vriendin.
a)
voor mijn vriendin
b)
ik
c)
gisteren
d)
een cadeautje
69.
Benoem het lv. 
De man heeft een halve marathon in twee uur gelopen. 
a)
de man
b)
een halve marathon
c)
in twee uur
d)
heeft gelopen
70.
Benoem het lv. 
Een panda eet veel bamboe.
a)
een panda
b)
eet
c)
veel 
d)
veel bamboe
71.
Benoem het lv.
Vorig seizoen heb ik twee paar sportschoenen versleten.
a)
ik
b)
heb versleten
c)
twee paar sportschoenen
d)
vorig seizoen