wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 6 erfelijkheid

Total questions: 29

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

2.

Wat is de functie van de celkern?

a)

Regelt de verbranding in de cel.

b)

Hier vindt fotosynthese plaats.

c)

Regelt alle processen in de cel.

3.

Zitten er genen voor speeksel in cellen van de lever?

a)

Nee, die zijn daar niet nodig

b)

Ja, de lever breekt het speeksel weer af

c)

Ja, maar hier zijn deze genen inactief

4.

Wat is het genotype?

a)

de informatie voor een erfelijke eigenschap van een individu

b)

alle waarneembare eigenschappen

c)

Als het DNA in één cel

d)

een gedeelte van een chromosoom dat informatie bevat voor een eigenschap

5.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

6.

Wanneer ligt het fenotype van een iemand vast?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Nooit

7.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor beter ontwikkeld. Is het genotype van John veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

8.

Is de persoon van het karyogram een jongen of een meisje?

a)

Jongen

b)

Meisje

9.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

10.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

11.

Wat zijn chromosomen?

4 lines
12.

Erf je eigenschappen van je ouders?

a)

ja

b)

nee

13.

Didier en Foeke geven een presentatie over hun onderzoek naar de ziekte kanker. Ze vertellen onder andere over uitzaaiingen.

   Wat is een uitzaaiing?

4 lines
14.

Een ander woord voor kankergezwel is (a)  

15.

Sigarettenrook en asbest zijn schadelijke chemische stoffen. Deze invloeden noem je (a)  

16.

DNA kan beschadigd raken, dit kan door celdeling of door straling. Hoe noem je deze verandering (a)  

17.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Heeft  het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
18.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden.Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
19.
Pim heeft een broertje Thijs en een zusje Anna.  Hebben Pim, Thijs en Anna hetzelfde DNA? 
a)
juist
b)
onjuist
20.
Is een albino een mutant? 
a)
juist
b)
onjuist
21.
Is straling een mutagene invloed?
a)
juist
b)
onjuist
22.
Zijn door klimaatverandering diersoorten uitgestorven? 
a)
juist
b)
onjuist
23.
Zijn het ontstaan en uitsterven van diersoorten allebei onderdelen van evolutie? 
a)
juist
b)
onjuist
24.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

25.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

26.
wat betekent:
evolutie
a)
langzame verandering
b)
snelle verandering
c)
het heilige boek van christenen
d)
soort
27.

Het ontstaan van de giraf kunnen we verklaren vanuit welke vaststelling?

a)

Concurrentie

b)

Variatie

c)

Overerving

d)

Geen van bovenstaande

28.

Wie was de schrijver van de Evolutietheorie?

a)

Charlie Sheen

b)

Charlie Chaplin

c)

Charles Darwin

d)

Charles VIII

29.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn.

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie.

c)

Ja, van natuurlijke selectie.