wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Plantaardig ;)

Total questions: 91

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

2.

Welk orgaan heeft deze taak:

Voor transport van stoffen en rechtop houden (stevigheid) van de plant.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

3.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat is fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

4.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

5.

Wat is de juiste volgorde van zuigkracht?

  1. De bladcellen verliezen water
  2. De wortels nemen weer nieuw water op.
  3. Er verdampt water uit de huidmondjes.
  4. Er stroomt water vanuit de houtvaten naar de bladcellen.
a)

3-1-4-2

b)

1-2-3-4

c)

2-4-1-3

d)

4-3-2-1

6.

Van welke vaten is dit:

Hierdoor stroomt water met mineralen uit de wortels omhoog.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

7.

Van welke vaten is dit:

Liggen aan de binnenkant van de vaatbundels.

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

8.

Van welke vaten is dit:

Vervoer van water met glucose vanuit de bladeren naar de andere organen

a)

Houtvaten

b)

Bastvaten

9.

Deze twee organellen zijn betrokken bij de stevigheid van een plantencel

a)

Vacuole en celskelet

b)

Vacuole en celwand

c)

Celskelet en celwand

d)

Celwand en celmembraan

10.

1 is de

a)

celwand

b)

celvand

c)

celmern

d)

celkern

11.

3 is het

a)

cytovlasma

b)

cytoklasma

c)

cytoplasma

d)

cytospalma

12.

16 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

13.

11 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

14.

18 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

15.

14 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

16.

15 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

17.

Met welk deel van de wortel worden water en mineralen opgenomen?

a)

Wortelharen

b)

Bijwortel

c)

Hoofdwortel

d)

Zijwortel

18.

Hier is een foto te zien van een ... . De functie hiervan is om de koolstofdioxide de plant in te laten gaan en zuurstof de plant uit te laten gaan. Het onderdeel bevind zich voornamelijk aan de onderkant van de bladeren van een plant.

(a)  

19.

Deze soort planten blijven altijd rechtop staan, ook al hebben ze water te kort.

(a)  

20.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat heet fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

21.

Dit is selderij. Dit komt van een plant. Welk deel van de plant eet jij hier op?

a)

De wortels

b)

De stengel

c)

De bladeren

22.

In welk deel van de wortel wordt reservevoedsel vooral opgeslagen?

a)

Hoofdwortel

b)

Zijwortel

c)

Wortelhaar

d)

Stengel

23.

Dit is een rode biet. Wat rood is, kan je opeten. Welk deel van de plant eet je?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

24.

Wat is de functie van de wortelharen?

a)

Water en voedingsstoffen opnemen uit de grond

b)

Water en zuurstof opnemen uit de grond

c)

Zuurstof en suikers maken

25.

Wat is geen functie van wortels?

a)

De plant stevig vast zetten in de grond

b)

Water opnemen uit de grond

c)

Voedsel opnemen uit de grond

d)

Zuurstof maken

26.

Welke plant staat op een droge plek? (Kijk naar de wortels!)

a)

Plant 1

b)

Plant 2

c)

Plant 1 en 2

d)

Geen enkele plant

27.

Dit is spinazie. Dit komt van een plant. Welk deel van de plant eet je hier op?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

28.

Wat zie je bij nummer 1 tot 5?

a)

volwassen planten

b)

kieming

c)

fotosynthese

29.
Zet de volgende gebeurtenissen bij het kiemen van een zaad in volgorde.
1. De zaadlobben komen boven de grond.
2. Het worteltje komt naar buiten.
3. De zaadhuid scheurt open
a)
1-2-3
b)
3-2-1
c)
2-1-3
d)
3-1-2
30.
Een plant noem je volwassen op het moment dat er bloemen groeien. Uit deze bloemen ontstaan vruchten met zaden
a)
Juist
b)
Onjuist
31.
Koolstofdioxide + water + zonne-energie ==> glucose + zuurstof
a)
Dit is fotosynthese
b)
Dit is verbranding
c)
Dit is fotosynthese én verbranding
d)
Dit is geen van twee
32.
glucose + zuurstof ==> Koolstofdioxide + water + energie
a)
Dit is fotosynthese
b)
Dit is verbranding
c)
Dit is fotosynthese én verbranding
d)
Dit is geen van twee
33.
Een plant met dikke bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
34.
Een plant met stekels in plaats van bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
35.
Een plant in droge gebieden heeft meestal
a)
weinig huidmondjes, weinig verdamping
b)
veel huidmondjes, weinig verdamping
c)
weinig huidmondjes, veel verdamping
d)
veel huidmondjes, veel verdamping
36.
De houtvaten in de plant vervoeren stoffen 
a)
van de wortels naar boven
b)
van de bladeren naar beneden
c)
allebei kanten
37.
De huidmondjes in het blad van de plant zorgen voor
a)
opname van CO2
b)
opname O2
c)
afgifte van CO2
d)
opname van H2O
38.

Waar zorgt de stengel van een plant voor?

a)

De stengel neemt water op

b)

De stengel zorgt voor stevigheid

c)

De stengel vervoert water en stoffen

d)

De stengel zorgt voor stevigheid, vervoert water en stoffen

39.

Wat zijn mineralen?

a)

Stoffen die nodig zijn voor de groei

b)

Stoffen die in de bladeren zitten

c)

Stoffen die zorgen dat nieuwe planten kunnen ontstaan

40.

Wat is een celwand?

a)

Een klein bolletje dat alles regelt

b)

Een stevige laag om de cel

c)

Groene bolletjes die zorgen voor voedingsstoffen

41.

Waar zorgen de bladgroenkorrels voor?

a)

Voor de groene kleur en maken voedingsstoffen

b)

Zorgen alleen voor de groene kleur

c)

Maken alleen voedingsstoffen

42.

Wat is een weefsel?

a)

Een cel

b)

Groep cellen met dezelfde vorm en taak

c)

Groep cellen met verschillende vormen en taken

43.

Waar zitten de nerven?

a)

In de bladeren

b)

In de wortel

c)

In de stengel

44.

Waar zorgen de nerven voor?

a)

Vervoer water en stoffen

b)

Vervoer cellen

c)

Vervoer bladgroenkorrels

45.

Waar zorgen de zaden voor?

a)

Dat er veel water wordt opgenomen

b)

Dat er nieuwe planten kunnen groeien

c)

Wat er mineralen worden opgenomen

46.

Elk orgaan heef zijn eigen bouw en zijn eigen taak

a)

Waar

b)

Niet waar

47.

De organen van planten bestaan uit cellen

a)

Waar

b)

Niet waar

48.

Om de boon zit de zaadhuid, waar zorgt de zaadhuid voor?

a)

Bescherming

b)

Voeding

c)

Groeien van de vruchten

49.

Wat is ontwikkeling?

a)

Dat een plant niet goed kan groeien

b)

Dat een plant nieuwe delen krijgt

50.

Ontkiemen gaat in vier stappen. Wat is de eerste stap van ontkiemen?

a)

Worteltje naar buiten

b)

Groei van stengel en bladeren

c)

Water opnemen

51.

Ontkiemen gaat in vier stappen. Wat is de vierde stap van ontkiemen?

a)

Worteltje naar buiten

b)

Groei van stengel en bladeren

c)

Water opnemen

52.

In welke onderdeel van de plant vindt fotosynthese plaats?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Celwand

c)

Celmembraan

53.

Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese?

a)

Water - zuurstof - zonlicht

b)

Water - koolstofdioxide - zonlicht

c)

Water - glucose- koolstofdioxide

54.

Wat ontstaat er bij fotosynthese?

a)

Alleen glucose

b)

Alleen zuurstof

c)

Alleen water

d)

Zowel glucose als zuurstof

55.

Planten maken hun eigen voedingsstoffen

a)

Waar

b)

Niet waar

56.

Wat neemt allemaal af als je vanaf de evenaar naar het noorden gaat (tot de Sahara)?

a)

Bomen en planten

b)

Zonneschijn

c)

Aantal inwoners

d)

Aantal regenbuien

57.

Wat is het klimaat met de meeste hoeveelheid neerslag uit het onderstaand rijtje?

a)

Woestijnklimaat

b)

Steppeklimaat

c)

Savanneklimaat

d)

Weet ik niet

58.

Aan een klimaatgrafiek kan je soms zien of een plaats op het noordelijk of zuidelijk halfrond ligt.

a)

Klopt!

b)

Nee!

c)

Weet ik niet!

59.

De buitenkant van een plantencel heet

a)

vacuole

b)

celwand

c)

celkern

d)

celmembraan

60.

een dierencel heeft geen vacuole

a)

waar

b)

niet waar

61.

Dit onderdeel van een plantencel is "het vlies om het cytoplasma". Wat is de naam van dit onderdeel?

a)

celwand

b)

celmembraan

c)

celvlies

d)

celhuid

62.

In dit onderdeel van een plantencel zit een stroperige vloeistof, hierin zitten de bladgroenkorrels en de celkern:

a)

cytoplasma

b)

celvocht

c)

vacuole

d)

celspanning

63.

Het blaasje middenin de plantencel heet

(a)  

64.

De groene bolletjes in de plantencel heten

(a)  

65.

De bastvaten van een plant zitten...

a)

...aan de buitenkant van de stengel

b)

...aan de binnenkant van de stengel

66.

Je ziet hier de doorsnede van een bloem. Wat is de naam van nummer 8?

a)

meeldraad

b)

kelkblad

c)

kroonblad

d)

helmdraad

67.

Je ziet hier de doorsnede van een bloem. Wat is de naam van nummer 5?

a)

kroonblad

b)

kelkblad

c)

helmknop

d)

meeldraad

68.

Je ziet hier de formule van de fotosynthese. Welk woord hoort er op de stippellijn te staan?

koolstofdioxide + (a)   + zonlicht --> zuurstof + glucose

69.

Je ziet hier de formule van de fotosynthese. Welk woord hoort er op de stippellijn te staan?

koolstofdioxide + water + zonlicht --> (a)   + glucose

70.

Deze stoffen nemen planten met hun wortels op:

a)

water

b)

mineralen

c)

zuurstof

d)

koolstofdioxide

e)

glucose

71.

Waarvoor gebruikt een plant de glucose die er gemaakt wordt?

a)

als reservevoedsel

b)

als vulling voor de huidmondjes

c)

als voeding voor dier en mens

d)

voor het maken van nieuwe wortels

72.

Als je een boom omzaagt zie je jaarringen. Wat is waar?

a)

het aantal jaarringen is het aantal jaren van de boom

b)

in het voorjaar zijn de houtcellen kleiner dan in het najaar

c)

een jaarring geeft de lengtegroei van de boom aan

73.

De functies van zaadlobben zijn:

a)

reservevoedsel

b)

de eerste bladeren om zonlicht op te vangen

c)

diktegroei bevorderen

d)

vruchten maken voor de plant

74.

De vaatbundels die voedingsstoffen door de stengel naar boven vervoeren heten de

a)

houtvaten

b)

bastvaten

75.

De vaatbundels die stoffen naar beneden vervoeren door de stengel heten de

a)

houtvaten

b)

bastvaten

76.

Als het droog is, zijn de huidmondjes

a)

open

b)

dicht

c)

open of dicht

d)

geen van beide

77.

Wat doet een plant met de wortelharen?

a)

de grond vasthouden

b)

water opnemen

c)

zorgen voor stevigheid

d)

bladmoes aanmaken

78.

Huidmondjes zitten vooral

a)

aan de bovenkant van het blad

b)

aan de onderkant van het blad

c)

aan beide kanten evenveel

d)

in de vaatbundels van het blad

79.

Je ziet hier een boon, wat is de naam van onderdeel 3?

a)

kiem

b)

poortje

c)

navel

d)

zaadhuid

80.

Je ziet hier een boon afgebeeld. Wat is de naam van nummer 4?

a)

naveltje

b)

poortje

c)

zaadlobje

d)

kiempje

81.

Goede voorbeelden van mineralen die een plant uit de grond haalt zijn:

a)

stikstof

b)

ijzer

c)

fosfor

d)

kalk

e)

zetmeel

82.

Je ziet hier een doorgesneden stengel van een plant. Welke letter geeft de bastvaten aan?

a)

A

b)

B

c)

C

83.

Je ziet hier een doorgesneden stengel van een plant. Welke letter geeft de houtvaten aan?

a)

A

b)

B

c)

C

84.

Welk gas produceert een plant?

a)

koolstofdioxide

b)

zuurstof

c)

koolstofmonoxide

d)

stikstof

85.

In de formule van de fotosynthese staat dat een plant glucose maakt. Wat is glucose?

a)

een soort plantensap

b)

een gas wat planten uitademen

c)

een soort suiker

d)

een gas wat planten inademen

86.

voorbeelden van mineralen die in de bodem zitten zijn

a)

koolstofdioxide en water

b)

kalk en zuurstof

c)

water en stikstof

d)

ijzer en kalk

87.

Hoeveel zaadlobben heeft een boon?

(a)  

88.

Welke onderdelen van een plant zitten er al in een boon?

a)

bladeren, reservevoedsel, wortel

b)

reservevoedsel, bloem en vrucht

c)

wortel, bloem en vrucht

d)

stengel, bloem en bladeren

89.

Als het droog is, dan zijn de huidmondjes in het blad

a)

open

b)

dicht

90.

Een houtachtige plant is zo stevig omdat

a)

de cellen vol zitten met water, net als een ballon

b)

de celwanden verhout zijn

c)

de vaatbundels heel dik zijn geworden

d)

de bladgroenkorrels hout zijn geworden

91.

Het zachte gedeelte van een blad heet

a)

rabarbermoes

b)

mispoes

c)

bladmoes

d)

appelmoes