wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 1.2. De maatschappij onderzoeken

Total questions: 39

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip hoort hier bij?

Een vraagstuk dat voldoet aan de volgende criteria:

1.      Het heeft gevolgen voor verschillende groepen in de samenleving.

2.      Mensen hebben verschillende meningen over de oorzaken en de aanpak.

3.            Het is alleen gemeenschappelijk op te lossen, waarbij de overheid meestal een rol heeft.

(a)  

2.

Welk begrip is dit?

Een oplossing waarbij alle partijen een beetje moeten toegeven.

(a)  

3.

Welk begrip hoort is dit?

Een lastige keuze uit twee dingen die niet kunnen samengaan.

(a)  

4.

Een maatschappelijk probleem waarvoor politici oplossingen bedenken.



(a)  

5.

Een rechtssysteem waarin burgers door grondrechten worden beschermd tegen machtsmisbruik en willekeur.

(a)  

6.

Een bestuursvorm waarbij het volk het nemen van beslissingen overlaat aan gekozen vertegenwoordigers in het parlement.

(a)  

7.

Een samenleving waarin verschillen tussen mensen bestaan in levensstijl, godsdienst en levensovertuiging en andere cultuurkenmerken.

(a)  

8.

Een land waarbij de overheid zich actief bemoeit met de welvaart en het welzijn van zijn inwoners.



(a)  

9.

Wat zijn normen?

a)

Gedragsregels

b)

Wetten

c)

Principes die je belangrijk vindt

d)

Tradities

10.

Wat zijn waarden?

a)

Gedragsregels

b)

Wetten

c)

Principes die je belangrijk vindt

d)

Tradities

11.

Farmers Defense Force komt op voor de (...) van boeren.

a)

normen

b)

belangen

c)

waarden

d)

sociale cohesie

12.

Wat is zoal belangrijk voor de betrouwbaarheid van informatie?

a)

objectiviteit

b)

bronverwijzing

c)

gebruik van hoor en wederhoor

d)

controleerbaarheid

13.

De NAVO is een .... en de VN is een ....

a)

militair bondgenootschap - internationaal samenwerkingsverband

b)

internationaal samenwerkingsverband - militair bondgenootschap

c)

internationaal samenwerkingsverband - monetaire unie

d)

monetaire unie - militair bondgenootschap

14.

Wat past bij een rechtsstaat?

a)

Onbeperkt geweldsmonopolie van overheid

b)

Wetboek van strafrecht garandeert rechten burgers

c)

Fatsoensnormen zijn wettelijk vastgelegd

d)

Burgers worden beschermd tegen overheid en elkaar

15.
Wat is de voorbeeld van een norm?
a)
Je mag niet discrimineren.
b)
Gezelligheid.
c)
Eerlijkheid
d)
Veiligheid
16.
Wat bedoelen we met de dominante cultuur?
a)
De cultuur van volwassenen.
b)
De cultuur van een kleine groep mensen.
c)
De cultuur van een heel land.
d)
De cultuur van jongeren.
17.
Welke zin is juist?
a)
Cultuur is aangeboren.
b)
Cultuur verschilt per land.
c)
Cultuur bestaat uit aangeboren en aangeleerd gedrag.
18.

'Vrijheid' is een ...

a)

Waarde

b)

Norm

c)

Belang

19.

Dit zijn bepaalde principes die mensen belangrijk vinden om na te streven.

a)

Normen

b)

Waarden

c)

Belangen

20.

Begrip: Een keus tussen twee zaken die je allebei graag wilt, maar die niet allebei kunnen

a)

Socialisatie

b)

Norm

c)

Dilemma

d)

Maatschappelijk probleem

21.

'Macht' is een ....

a)

Belang

b)

Waarde

c)

Norm

22.

Een samenleving kan niet bestaan zonder regels want dan ontstaat er onveiligheid en chaos.

a)

juist

b)

onjuist

23.

Een samenleving kan wel bestaan zonder regels als mensen het met elkaar eens zijn.

a)

juist

b)

onjuist

24.

Een kenmerk van een maatschappelijk vraagstuk is dat de overheid niets aan het vraagstuk doet.

a)

juist

b)

onjuist

25.

Een compromis is een blijvende tegenstelling.

a)

juist

b)

onjuist

26.

In een pluriforme samenleving zijn alle culturen gelijk aan elkaar.

a)

juist

b)

onjuist

27.

Binnen een parlementaire democratie worden de volksvertegenwoordigers gekozen door politici onder elkaar.

a)

juist

b)

onjuist

28.

Normen zijn principes die mensen belangrijk vinden in het leven.

a)

juist

b)

onjuist

29.

Waarden zijn dingen die mensen belangrijk vinden.

a)

juist

b)

onjuist

30.

Normen zijn afgeleid van waarden.

a)

juist

b)

onjuist

31.

Waarden zijn afgeleid van normen.

a)

juist

b)

onjuist

32.

Macht vastgelegd in regels noemen we informele macht.

a)

juist

b)

onjuist

33.

Macht die niet staat opgeschreven noemen we informele macht.

a)

juist

b)

onjuist

34.

Niet roken op school is een geschreven regel.

a)

juist

b)

onjuist

35.

De sociale ongelijkheid bevordert de sociale cohesie niet.

a)

juist

b)

onjuist

36.

Niet roken op school is een geschreven regel.

a)

juist

b)

onjuist

37.

Verschil in kennis betekent dat mensen met een goede opleiding makkelijker een goed betaalde baan vinden.

a)

juist

b)

onjuist

38.

Tijdens de Womens March demonstreren honderden mensen voor seksegelijkheid.

Het machtsmiddel dat hierbij past is:

a)

aantal

b)

beroep

c)

geweld

d)

aanzien

39.

President Biden verteld op social media dat de mensen thuis moeten blijven van

wege een sneeuwstorm.

Het machtsmiddel dat hierbij wordt gebruikt is:

a)

functie

b)

kennis

c)

geweld

d)

aantal