wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling lagere school

Total questions: 73

Worksheet time: 16hrs 50mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

Hij (betreden) het schoolgebouw voor het eerst.

a)

betreedt

b)

betreed

c)

betreet

2.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

(Horen) je niet dat er iemand op de deur klopt?

a)

hoor

b)

Hoor

c)

hoort

d)

Hoort

3.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

De leraar (dulden) niet dat ik in mijn schrift (kladden).

a)

duld - klad

b)

duldt - klad

c)

duldt - kladt

d)

duld - kladt

4.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

Je (wennen) moeilijk aan regelmaat.

a)

wend

b)

wendt

c)

wen

d)

went

5.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

Wat (beduiden) al dat rumoer in de klas?

a)

beduid

b)

beduit

c)

beduidt

6.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

(Beantwoorden) je klasgenoot de vraag correct?

a)

Beantwoordt

b)

Beantwoord

c)

Beantwoort

7.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

De leerling (wenden) zich tot de klassenleraar.

a)

went

b)

wendt

c)

wend

8.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

Het (worden) tijd dat je voet bij stuk houdt.

a)

word

b)

wordt

c)

wort

9.

Wat is de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd?

De leerkracht (vrezen) dat de leerlingen de leerstof niet begrepen hebben.

a)

vreest

b)

vreezt

c)

vreesd

d)

vreesdt

10.

Je ziet de cover van een boek. Is het boek fictie of non-fictie?

a)

fictie

b)

non-fictie

11.

Je ziet de cover van een boek. Is het boek fictie of non-fictie?

a)

fictie

b)

non-fictie

12.

Je ziet de cover van een boek. Is het boek fictie of non-fictie?

a)

fictie

b)

non-fictie

13.

Je ziet de cover van een boek. Is het boek fictie of non-fictie?

a)

fictie

b)

non-fictie

14.

Je ziet de cover van een boek. Is het boek fictie of non-fictie?

a)

fictie

b)

non-fictie

15.

Je ziet de cover van een boek. Is het boek fictie of non-fictie?

a)

fictie

b)

non-fictie

16.

Zijn deze uitspraken feit of mening?

De onthaaldagen waren spannend.

a)

Feit

b)

mening

17.

Zijn deze uitspraken feit of mening?

Ik denk dat ik alles juist heb.

a)

Feit

b)

mening

18.

Zijn deze uitspraken feit of mening?

Mevr. Helaers is de directeur van onze school.

a)

Feit

b)

mening

19.

Zijn deze uitspraken feit of mening?

Strips lezen is tijdverlies.

a)

Feit

b)

mening

20.

Zijn deze uitspraken feit of mening?

Onze lesweek telt 32 lesuren van 50 minuten.

a)

Feit

b)

mening

21.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

de leerkracht zei: “neem je boeken op de bank.”

a)

De

b)

Zei

c)

Neem

d)

Boeken

e)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

22.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

de eerste wereldoorlog duurde van 1914 tot 1918.

a)

De

b)

Eerste

c)

Wereldoorlog

d)

duurde

e)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

23.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

830 leerlingen zitten op onze eerstegraadsschool.

a)

leerlingen

b)

zitten

c)

eerstegraadsschool

d)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

e)

op

24.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

elke week lees ik het laatste nieuws en humo.

a)

Humo

b)

Het Laatste Nieuws

c)

Het

d)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

e)

Elke

25.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

‘s morgens starten de lessen om 8u45.

a)

'S

b)

Morgens

c)

'S Morgens

d)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

e)

Starten

26.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

ik droom van een vakantie naar zuid-amerika.

a)

Ik

b)

Vakantie

c)

Zuid

d)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

e)

Amerika

27.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

onze leerkracht nederlands leest ook graag engelse boeken.

a)

Onze

b)

Nederlands

c)

Engelse

d)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

e)

OOk

28.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

tijdens de kerstvakantie vieren we kerstmis en nieuwjaar.

a)

Kerstvakantie

b)

Kerstmis

c)

Nieuwjaar

d)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

e)

Tijdens

29.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

op 21 september start de herfst.

a)

Op

b)

September

c)

Start

d)

In deze zin moeten geen hoofdletters komen.

e)

Herfst

30.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter? (deel 1)

campus ursula van de sint-martinusscholen is gelegen in de ursulinenstraat.

a)

Campus

b)

Ursula

c)

Van

d)

Geen van deze opties

e)

De

31.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter? (deel 2)

campus ursula van de sint-martinusscholen is gelegen in de ursulinenstraat.

a)

Sint

b)

Martinusscholen

c)

Is

d)

Geen van deze opties

e)

Gelegen

32.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter? (deel 3)

campus ursula van de sint-martinusscholen is gelegen in de ursulinenstraat.

a)

Is

b)

Gelegen

c)

In

d)

Geen van deze opties

e)

Ursulinenstraat

33.

Tot welke woordsoort behoort het onderlijnde woord?

Een hond is één van de slimste dieren.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

andere woordsoort

34.

Tot welke woordsoort behoort het onderlijnde woord?

Geen enkel ander dier heeft zich zo naar de mens geschikt als de hond.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

andere woordsoort

35.

Tot welke woordsoort behoort het onderlijnde woord?

Overigens heeft die ontwikkeling hen veel meer intelligentie opgeleverd.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

andere woordsoort

36.

Tot welke woordsoort behoort het onderlijnde woord?

Als gevolg van het in huis nemen van honden zijn deze dieren veel slimmer geworden.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

andere woordsoort

37.

Tot welke woordsoort behoort het onderlijnde woord?

Zo hebben honden leren blaffen op het moment dat ze met mensen in contact kwamen.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

andere woordsoort

38.

Tot welke woordsoort behoort het onderlijnde woord?

Op die manier vertellen ze dat ze naar buiten moeten of eten willen.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

andere woordsoort

39.

Zoek in deze zinnen de pv en het onderwerp. Wat is correct?

Vanavond las ik een boeiend artikel op internet.

a)

vandaag las

ond - pv

b)

vandaag las

pv - ond

c)

las ik

pv - ond

d)

las ik

ond – pv

40.

Zoek in deze zinnen de pv en het onderwerp. Wat is correct?

Toen maakte hij een zware val.

a)

Toen maakte

ond - pv

b)

Toen maakte

pv - ond

c)

Maakte hij

pv - ond

d)

Maakte hij

ond – pv

41.

Zoek in deze zinnen de pv en het onderwerp. Wat is correct?

Sindsdien leeft de jongen in een rolstoel.

a)

Sindsdien leeft

ond - pv

b)

Sindsdien leeft

pv - ond

c)

Leeft de jongen

pv - ond

d)

Leeft de jongen

ond – pv

42.

Zoek in deze zinnen de pv en het onderwerp. Wat is correct?

Kan jij je dat voorstellen?

a)

Kan jij

ond - pv

b)

Kan jij

pv - ond

c)

Kan je

pv - ond

d)

Kan je

ond – pv

43.

Zoek in deze zinnen de pv en het onderwerp. Wat is correct?

Wetenschappers maakten een robotpak voor hem.

a)

Wetenschappers maakten

ond - pv

b)

Wetenschappers maakten

pv - ond

c)

Maakten een robotpak

pv - ond

d)

Maakten een robotpak

ond – pv

44.

Zoek in deze zinnen de pv en het onderwerp. Wat is correct?

Vinden jullie dit ook een geweldige uitvinding?

a)

Vinden jullie

ond - pv

b)

Vinden jullie

pv - ond

c)

Vinden dit

pv - ond

d)

Vinden dit

ond – pv

45.

Zoek in deze zinnen de pv en het onderwerp. Wat is correct?

We applaudisseren voor de uitvinders.

a)

We applaudisseren

ond - pv

b)

We applaudisseren

pv - ond

c)

De uitvinders applaudisseren

pv - ond

d)

De uitvinders applaudisseren

ond – pv

46.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

Vandaag las ik een boeiend artikel op internet.

a)

2e persoon enkelvoud

b)

1e persoon meervoud

c)

1e persoon enkelvoud

47.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

Matthew is 15 jaar oud.

a)

3e persoon enkelvoud

b)

2e persoon enkelvoud

c)

1e persoon meervoud

48.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

Toen maakte hij een zware val.

a)

2e persoon enkelvoud

b)

1e persoon enkelvoud

c)

3e persoon enkelvoud

49.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

Sindsdien leeft de jongen in een rolstoel.

a)

3e persoon enkelvoud

b)

2e persoon enkelvoud

c)

1e persoon enkelvoud

50.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

Kan jij je dat voorstellen?

a)

2e persoon enkelvoud

b)

2e persoon meervoud

c)

1e persoon enkelvoud

51.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

Wetenschappers maakten een robotpak voor hem.

a)

2e persoon enkelvoud

b)

1e persoon meervoud

c)

3e persoon meervoud

52.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

Vinden jullie dit ook een geweldige uitvinding?

a)

1e persoon meervoud

b)

2e persoon meervoud

c)

3e persoon meervoud

53.

In welke persoon en getal staat het werkwoord vervoegd?

We applaudisseren voor de uitvinders.

a)

1e persoon meervoud

b)

2e persoon meervoud

c)

3e persoon meervoud

54.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Elke ochtend smeer ik mijn boterha_en.

a)

boterhamen

b)

boterhammen

55.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Bij het avondeten eten we meestal aarda_elen.

a)

aardappelen

b)

aardapelen

56.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Kogelst_ten is een onderdeel van atletiek.

a)

kogelstoten

b)

kogelstooten

57.

Wat is de juiste schrijfwijze?

In die rivier kan je vissen op p_ling.

a)

paaling

b)

paling

58.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Bij het verzamelen van de invulstrookjes kan je ze best per soort sta_elen.

a)

stapelen

b)

stappelen

59.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Dat gebeurde wel heel toeva_ig op het juiste moment.

a)

toevallig

b)

toevalig

60.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Soms zie ik door het bos de b_men niet meer.

a)

bommen

b)

bomen

61.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Bij die opgravingen vonden de archeologen verschillende bo_en die nog niet ontploft waren.

a)

bommen

b)

bomen

62.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Zet bij het binnenkomen je fiets in de fietsensta_ing.

a)

fietsenstalling

b)

fietsenstaling

63.

Wat is de juiste schrijfwijze?

Daar kan je ritjes maken op kam_len.

a)

kameelen

b)

kamelen

64.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Gisteren aten we na de training boterhammen met kaas."

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

65.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Erik en ik wandelen naar huis en Fatima fietst naar huis."

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

66.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Wij hebben gisteren een nieuwe computer gekocht, want de oude was kapot."

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

67.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Ga je mee tennissen?"

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

68.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Julia ging naar Frankrijk en Duitsland afgelopen zomervakantie."

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

69.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Deze plant moet je twee keer per week water geven, maar geef hem niet te veel."

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

70.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Ik ga sporten omdat ik het voel kriebelen."

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

71.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"De leerlingen van 1Aw werken goed mee aan de opdracht."

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

72.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Toen hij erbij kwam, startte het feestje pas echt!"

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin

73.

Is volgende zin samengesteld of niet?

"Waarom ben jij zo aan het prullen met je pen?"

a)

samengestelde zin

b)

enkelvoudige zin