wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3bk Industriele revolutie les 1

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Tijdens de industriele revolutie werd er veel snleler geproduceerd

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Tijdens de revolutie werd de stoommachine de nieuwe energiebron

a)

Juist

b)

onjuist

3.

Welk begrip hoort niet in het rijtje thuis:

a)

mechanisatie

b)

industrialisatie

c)

fabrieken

d)

industrie

e)

ambachtelijke nijverheid

4.

Wat hoort niet bij de industriële revolutie?

a)

stoommachines

b)

begin moderne tijd

c)

begint in de Verenigde Staten

d)

begin tijd van burgers en stoommachines

5.

Wat is geen kenmerk van een industriële samenleving?

a)

grootste deel leeft en werkt in de stad

b)

industrie en diensten belangrijkste middelen van bestaan

c)

ontstaan van een arbeidersklasse en een middenklasse

d)

steeds meer mensen verhuisden van stad naar platteland

6.

waarom begon de industrialisatie als eerste in Engeland?

a)

Doordat er veel goedkope arbeiders woonden

b)

Door de grote voorraad steenkool

c)

Doordat er nog geen vakbonden bestonden

d)

Door het ontbreken van een minimumloon

7.

De Industriële revolutie begon in het jaar....

a)

1700

b)

1750

c)

1800

d)

1850

8.

In welk land begon de Industriële revolutie?

a)

Duitsland

b)

Frankrijk

c)

Nederland

d)

Engeland

9.

De eerste machines werden uitgevonden in de

a)

Staalindustrie

b)

Textielindustrie

c)

Ijzerindustrie

d)

Handel

10.

De maker van de eerste bruikbare stoommachine is:

a)

John Kay

b)

Eli Whitney

c)

James Watt

d)

James Hargreaves

11.

De Industriële Revolutie noemen we een revolutie...

a)

vanwege de snelle maatschappelijke omwentelingen

b)

vanwege de vele verschillende oorzaken

c)

vanwege de grote gevolgen voor de samenleving

d)

vanwege de vele revolutionaire uitvindingen zoals de stoommachine

12.
In welk land begonnen ze als eerste met het bouwen van fabrieken?
a)
Nederland
b)
Duitsland
c)
Frankrijk
d)
Groot-Brittannië
13.
Wat was een gevolg van de industrialisatie?
a)
bevolkingsafname
b)
armoede
c)
bevolkingsgroei
14.

. I. Industriële revolutie is de overgang van handgereedschap naar het gebruik van machines.

II. De industriële revolutie begon in het jaar 1850.

Van bovenstaande beweringen is

a)

I juist en II onjuist

b)

I ojuist en II juist

c)

beide onjuist

d)

beide juist

15.

De belangrijkste middel van bestaan voor de industriële revolutie was

a)

Landbouw

b)

Veeteelt

c)

Handel

d)

Nijverheid

16.

Welke van de onderstaande vervoersmiddelen hoort niet thuis bij de periode van voor de industriële revolutie

a)

paard en wagen

b)

stoomschepen

c)

trekschuiten

d)

roeiboten

17.

De eerste machines werden uitgevonden in de

a)

Staalindustrie

b)

Textielindustrie

c)

Ijzerindustrie

d)

Handel

18.

Industriele revolutie was een verandering op het gebied van landbouw

a)

juist

b)

onjuist

19.

Waarom trokken boeren naar de stad toe?

a)

Ze wilden geen boer meer zijn

b)

In de stad was meer te beleven

c)

Ze waren werkloos geworden en zochten werk

20.

Had de revolutie ook nadelen?

a)

Nee, er waren geen nadelen

b)

Ja, voor de fabriekseigenaren en het milieu

c)

Ja, voor de fabrieksarbeiders en het milieu

d)

Ja, voor de fabrieksarbeiders en de economie

21.

Waardoor groeide de bevolking in Engeland in de achttiende eeuw?

a)

Immigratie

b)

Meer voedsel door verbeterde landbouwtechnieken

c)

Betere voorbehoedsmiddelen

22.

Wat is de goede volgorde?

a)

Spinning Jenny - Waterframe - Stoommachine - Spinnewiel

b)

Stoommachine - Spinning Jenny - Spinnewiel - Waterframe

c)

Spinnewiel - Spinning Jenny - Waterframe - Stoommachine

d)

Spinnewiel - Waterframe - Spinning Jenny - Stoommachine

23.

Wat is het voordeel van een fabriek met stoommachines t.o.v. eentje op waterkracht.

a)

Stoommachine heeft meer kracht dan een machine op waterkracht

b)

Stoommachine kan overal staan, niet alleen aan water.

c)

Stoommachine is makkelijke te bedienen.

24.

Een industriele samenleving is een samenleving,

a)

waar iedereen in de industrie werkt en in steden woont.

b)

waar een groot gedeelte van de bevolking in de industrie werkt en in de steden woont.

c)

waar de helft van de mensen in de industrie werkt en in de steden woont, de andere helft werkt in de landbouw op het platteland.

d)

waar de meeste mensen op het platteland wonen en aan landbouw doen, maar er zijn ook mensen die in de industrie werken en in steden wonen.

25.

Spinning Jenny was een uitvinding horend bij

a)

spinnen

b)

weven

c)

naaien

d)

steenkoolmijn