wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1A - DEEL 1 (Herhaling)

Total questions: 72

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

De communicatie is geslaagd als ...

a)

de boodschap is aangekomen bij de ontvanger

b)

het kanaal juist gekozen is

c)

het effect overeenkomt met het doel

2.

Een zender heeft ALTIJD een doel.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Je kan geen communicatie hebben zonder dat er een gesprek wordt gevoerd.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Kasper gaat naar de bakker en vraagt om een groot rond wit brood. De bakker geeft hem een rond wit brood. Hij betaalt en gaat naar huis.

Is de communicatie geslaagd?

a)

ja

b)

nee

5.

Er zijn twee jongens verdwaald en ze vragen de weg aan een vootbijganger: 'We zijn de weg kwijt. Kan je ons de weg wijzen?'. De voorbijganger wijst naar de grond en zegt: 'Je staat op de weg'.

Is de communicatie geslaagd?

a)

ja

b)

nee

6.

Wie is de zender?

De leerlingen staan op de speelplaats. Plots gaat de bel. De leerlingen slenteren naar het toilet en verstoppen zich daar.

a)

de leerlingen

b)

de school

c)

de speelplaats

d)

de bel

7.

Wat is de boodschap?

De leerlingen staan op de speelplaats. Plots gaat de bel. De leerlingen slenteren naar het toilet en verstoppen zich daar.


a)

Ga naar huis.

b)

Ga naar het toilet.

c)

Ga in de rij staan.

8.

Wie is de ontvanger?

De leerlingen staan op de speelplaats. Plots gaat de bel. De leerlingen slenteren naar het toilet en verstoppen zich daar.


a)

de leerlingen

b)

de school

c)

de speelplaats

d)

de bel

9.

Wat is het kanaal?

De leerlingen staan op de speelplaats. Plots gaat de bel. De leerlingen slenteren naar het toilet en verstoppen zich daar.


a)

de leerlingen

b)

de school

c)

de speelplaats

d)

de bel

10.

Wat is het effect?

De leerlingen staan op de speelplaats. Plots gaat de bel. De leerlingen slenteren naar het toilet en verstoppen zich daar.


a)

De leerlingen gaan naar huis.

b)

De leerlingen verstoppen zich.

c)

De leerlingen gaan in een rij staan.

11.

Louis vraagt aan zijn vriend om zijn notities door te sturen omdat hij een dag afwezig was. Zijn vriend weigert omdat hij hiervoor al tijd heeft gekregen op school.

Is de communicatie geslaagd?

a)

ja

b)

nee

12.

Vul de zin aan met een begrip uit het communicatiemodel.


Degene die de boodschap overbrengt, is de ...

(a)  

13.

Vul de zin aan met een begrip uit het communicatiemodel.

Degene naar wie de boodschap wordt verstuurd, noemen we de ...

(a)  

14.

Vul de zin aan met een begrip uit het communicatiemodel.

De manier waarop/ Het middel waarmee informatie wordt overgebracht, noemen we het ...

(a)  

15.

Is de communicatie geslaagd?

a)

Ja

b)

Nee

16.

Welke bedoeling heeft de zender?

De zender wil de ontvanger ...

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

17.

Welke bedoeling heeft de zender?

Hier zijn meerdere antwoorden correct.

De zender wil de ontvanger ...

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

18.

Welke bedoeling heeft de zender?

De zender wil de ontvanger ...

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

19.

Welke bedoeling heeft de zender?

De zender wil de ontvanger ...

a)

informeren

b)

een verhaal vertellen

c)

de mening of gedachten beïnvloeden

d)

instructies geven

e)

zijn mening of standpunt geven

20.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

21.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

22.

Voor welk doelpubliek is deze affiche bestemd?

a)

kinderen

b)

jongeren

c)

volwassenen

23.

Wat is het onderwerp in deze zin?

'Dat liedje kreeg van Letland de meeste punten.'

a)

Letland

b)

Dat liedje

c)

kreeg

24.

Wat is het onderwerp in deze zin?

'Door dat ongeval werd de auto zwaar beschadigd.'

a)

de auto

b)

dat ongeval

c)

Door dat ongeval

d)

werd

25.

Wat is het onderwerp in deze zin?

'Op het kerstrapport van Joren Jaspers stonden twee onvoldoendes'.

a)

Op het kerstrapport

b)

Joren Jaspers

c)

stonden

d)

twee onvoldoendes

26.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Louis babbelt graag in de klas.



(a)  

27.

Bestaat het onderwerp uit een woord, woordgroep of een zin?

De eerlijke eerstejaars gaven de gsm terug die ze vonden op de sportdag.

a)

woord

b)

woordgroep

c)

zin

28.

Bestaat het onderwerp uit een woord, woordgroep of een zin?

Eerstejaars houden van sporten op de sportdag.

a)

woord

b)

woordgroep

c)

zin

29.

Bestaat het onderwerp uit een woord, woordgroep of een zin?

De leerlingen van het eerste jaar die sportdag hebben gehad, hebben goed gesport.

a)

woord

b)

woordgroep

c)

zin

30.

Bestaat het onderwerp uit een woord, woordgroep of een zin?

De leerlingen van het eerste jaar hebben in september sportdag gehad.

a)

woord

b)

woordgroep

c)

zin

31.

Bestaat het onderwerp uit een woord, woordgroep of een zin?

De eerlijke eerstejaars die de gsm teruggaven, kregen een beloning.

a)

woord

b)

woordgroep

c)

zin

32.

Bepaal het teksttype zonder het helemaal te lezen.

a)

zoekertje

b)

flyer

c)

boodschappenlijst

d)

rouwkaart

33.

Bepaal het teksttype zonder het helemaal te lezen.

a)

bankkaart

b)

flyer

c)

kalender

d)

rouwkaart

34.

Het onderwerp van een tekst....

a)

beschrijft in één woord of in een paar woorden waar de tekst over gaat.

b)

is de kortst mogelijke samenvatting van een tekst.

35.

Wat doe je als je oriënterend leest? Duid alle juiste antwoorden aan.

a)

Je leest de titels en tussentitels.

b)

Je kijkt naar de illustraties.

c)

Je zoekt moeilijke woorden op in het woordenboek.

d)

Je denkt na over het onderwerp van de tekst.

e)

Je maakt een schema van de tekst.

36.

Bepaal het teksttype zonder het helemaal te lezen.

a)

advertentie

b)

bijsluiter

c)

beoordeling

d)

krantenartikel

37.

Bepaal het teksttype zonder het helemaal te lezen.

a)

advertentie

b)

bijsluiter

c)

beoordeling

d)

krantenartikel

38.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

Hij (a)   veel geld aan kleren. (Besteden)

39.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

Deze wedstrijd ... (vervelen) mij ontzettend.

(a)  

40.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

(a)   (Worden) jij nu al weer boos?

41.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

Wat (a)   (vinden) je leraar van je werk?

42.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

... (Melden) jij je even bij de pedagogisch medewerker.

(a)  

43.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

Waarom (a)   (antwoorden) de leraar daar niet op.

44.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

Mijn zusje (a)   (geloven) niet meer in Sinterklaas.

45.

Vul het ontbrekende werkwoord in. (onvoltooid verleden tijd of imperatief)

Dagelijks (a)   (vinden) ik wel enkele nieuwe ideeën op het internet.

46.

Deze mail is een voorbeeld van...

a)

een formeel gesprek

b)

een informeel gesprek

47.

Dit gesprek is een voorbeeld van...

a)

een formeel gesprek

b)

een informeel gesprek

48.

Deze e-mail is...

a)

formeel

b)

informeel

49.

Deze e-mail is...

a)

formeel

b)

informeel

50.

"U hoort nog van me" is...

a)

formeel

b)

informeel

51.

"Ik stuur is je wel een mailtje" is...

a)

formeel

b)

informeel

52.

Is onderstaand woord een grondwoord - samenstelling of afleiding?

baan

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

53.

Is onderstaand woord een grondwoord - samenstelling of afleiding?

tijdschriftenwinkel

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

54.

Is onderstaand woord een grondwoord - samenstelling of afleiding?

zestien

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

55.

Is onderstaand woord een grondwoord - samenstelling of afleiding?

kaartjes

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

56.

Is onderstaand woord een grondwoord - samenstelling of afleiding?

plaatselijke

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

57.

Is onderstaand woord een grondwoord - samenstelling of afleiding?

greintje

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

58.

Wat zijn de kenmerken van een helder bericht?

a)

duidelijk en kort

b)

duidelijk en volledig

c)

kort en bondig

d)

volledig en onduidelijk

59.

Wat is de juiste term voor deze beschrijving?


Wat krijg je als je twee of meer grondwoorden samenvoegt?

a)

een afleiding

b)

een samenstelling

c)

een grondwoord

60.

Wat is de juiste term voor deze beschrijving?


Wat krijg je als je aan een grondwoord een voorvoegsel en/of achtervoegsel toevoegt?

a)

een afleiding

b)

een samenstelling

c)

een grondwoord

61.

Duid alle samenstellingen aan.

a)

superleuk

b)

onrecht

c)

futloos

d)

driesterrenhotel

62.

Duid alle afleidingen aan.

a)

achteruitgang

b)

wanhoop

c)

avontuurlijk

d)

maximumsnelheid

63.

Wat is in dit bericht minder gepast? Er zijn meerdere mogelijkheden.

a)

kanaal

b)

aanspreking

c)

slotformule

d)

taalgebruik

64.

Wat is er in dit bericht minder gepast?

a)

kanaal

b)

aanspreking

c)

slotformule

d)

taalgebruik

65.

Vervang door een samenstelling.


Een console waar je op speelt...

a)

een speelconsole

b)

een spelconsole

c)

een Xbox

d)

een consolespel

66.

Vervang door een samenstelling.


zo blauw als de hemel...

a)

helsblauw

b)

hemelblauw

c)

hemelsblauw

d)

blauwhemel

67.

Vervang door een afleiding.


Iemand die laf is...

(a)  

68.

Vervang door een afleiding.


zonder moeite...

(a)  

69.

Maak het antoniem door een voor- of achtervoegsel toe te voegen: HOOP.

(a)  

70.

Vervang het aangeduide woord door een synoniem.

Vond jij die uitspraak ook zo grappig?

a)

criterium

b)

formulering

c)

bewering

d)

situatie

71.

Vervang het aangeduide woord door een synoniem.

De soldaten bevonden zich in een hopeloze positie.

a)

criterium

b)

formulering

c)

bewering

d)

situatie

72.

Wat is het antoniem van 'beknopt'?

a)

automatisch

b)

uitgebreid

c)

uniek