wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2HV T1 Verbranding en ademhaling B1-8

Total questions: 25

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Smog is luchtvervuiling die vooral bestaat uit ...

a)

Koolstofdioxide

b)

Stikstof

c)

Fijnstof

d)

Teer

2.

Bij de afbraak van glucose...

a)

komt energie vrij

b)

is energie nodig

3.

De afbraak van glucose noem je ..1.. en dat vindt plaats in de ..2..

a)
  1. 1. verbranding

  2. 2. bladgroenkorrels

b)
  1. 1. verbranding

  2. 2. mitochondriën

c)
  1. 1. fotosynthese

  2. 2. bladgroenkorrels

d)
  1. 1. fotosynthese

  2. 2. mitochondriën

4.

Het produceren van glucose in planten noem je ..1.. en dat vindt plaats in de ..2..

a)
  1. 1. verbranding

  2. 2. bladgroenkorrels

b)
  1. 1. verbranding

  2. 2. mitochondriën

c)
  1. 1. fotosynthese

  2. 2. bladgroenkorrels

d)
  1. 1. fotosynthese

  2. 2. mitochondriën

5.

Piet fietst naar school. Hij gaat harder fietsen. Nu verbrand hij ... eerst.

a)

meer dan

b)

evenveel als

c)

minder dan

6.

Welke stoffen zijn er nodig voor fotosynthese?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

water

d)

glucose

7.

Welke stoffen worden gemaakt bij fotosynthese?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

water

d)

glucose

8.

De reactie van verbranding ziet er zo uit:

brandstof + zuurstof --> koolstofdioxide + ? + energie

Wat moet er op de plek van het vraagteken?

(a)  

9.

Welk nummer geeft de plaats aan waar de lucht doorheen stroomt bij een uitademing?

a)

1

b)

2

c)

3

10.

Welk nummer geeft de plaats aan het bloed rijk is aan koolstofdioxide?

a)

1

b)

2

c)

3

11.

Welke letter geeft de verplaatsing van zuurstof aan?

a)

P

b)

Q

12.

Een hooikoortspatiënt is allergisch voor bepaalde deeltjes die in de lucht

kunnen voorkomen. Welke deeltjes zijn dat?

a)

Huisstof

b)

Stuifmeelkorrels

c)

Huisstof en stuifmeelkorrels

d)

Huisstof, schimmels en stuifmeelkorrels

13.

Wat is de functie van de trilharen in het neusslijmvlies?

a)

Slijm produceren

b)

Opvangen van stofdeeltjes en ziekteverwekkers

c)

De lucht laten trillen

d)

Verplaatsen van slijm naar de keelholte

14.

Wat is de functie van het neusslijmvlies?

a)

Slijm produceren

b)

Opvangen van stofdeeltjes en ziekteverwekkers

c)

De lucht laten trillen

d)

Verplaatsen van slijm naar de keelholte

15.

Welke pijl geeft de verplaatsing van lucht aan tijdens het ademhalen door de neus?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

16.

Welke pijl geeft de verplaatsing van eten (voedsel) aan tijdens het slikken? En is het strotklepje dan open of gesloten?

a)

3: open

b)

3: gesloten

c)

4: open

d)

4: gesloten

17.

Wat gebeurt er met de verbranding bij reptielen die in een bak met ijs gestopt worden?

a)

De verbranding neemt toe

b)

De verbranding neemt af

c)

De verbranding blijft gelijk

18.

Geef de letter(s) aan van de plek in de longen waar de gaswisseling plaatsvindt.

a)

R

b)

Q

c)

Q en R

d)

P, Q en R

19.

Welk verband bestaat er tussen de inademing en de beweging van het middenrif?

a)

Het middenrif gaat omlaag, daardoor stroomt de lucht naar binnen.

b)

Het middenrif gaat omhoog, daardoor stroomt de lucht naar binnen.

c)

De lucht stroomt naar binnen, daardoor gaat het middenrif omlaag

d)

De lucht stroomt naar binnen, daardoor gaat het middenrif omhoog

20.

Door welke ademhaling beweegt de borst naar buiten/boven?

a)

Inademing bij borstademhaling

b)

Inademing bij buikademhaling

c)

Uitademing bij borstademhaling

d)

Uitademing bij buikademhaling

21.

Het ademhalingsstelsel van een insect bestaat uit tracheeën. Hoe noem je een opening in de huid van het insect die de tracheeën verbindt met de buitenlucht?

(a)  

22.

Welke stof in rook heeft een verslavende werking?

a)

nicotine

b)

teer

c)

koolstofmono-oxide

23.

Een muis zit in een ruimte van 15 graden. Een slang zit in een ruimte van 5 graden.

Wie doet aan de meeste verbranding?

a)

Muis

b)

Slang

24.

Bij welke activiteit vindt de meeste verbranding plaats?

a)

Slapen

b)

Dansen

c)

Zitten

d)

Schaken

25.

Selecteer waardoor de gaswisseling in de longblaasjes van de mens snel kan verlopen.

a)

De wand van de longblaasjes in dun (maar 1 cellaag dik)

b)

De lucht in de longblaasjes stroomt snel

c)

De longblaasjes vormen samen een groot oppervlak

d)

Doordat de luchtzakken zorgen voor een goede luchtverplaatsing.