wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo/vwo Leerjaar 1

Total questions: 21

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat was een Neanderthaler?

a)

Een inmiddels uitgestorven menssoort, die naast de moderne mens leefde.

b)

De eerste moderne denkende mens.

2.

Wat was een jager-verzamelaar?

a)

Iemand die leeft van de jacht, maar niet van het verzamelen van eetbare dingen in de natuur.

b)

Iemand die leeft van jacht, visserij en het verzamelen van eetbare dingen in de natuur.

c)

Iemand die leeft van de landbouw.

3.

Wat is een bestaansmiddel?

a)

De manier waarop mensen in hun levensonderhoud voorzien, zoals landbouw of jagen en verzamelen.

b)

Een werktuig waarmee voedsel verbouwd kan worden.

c)

Een kunstwerk die het bestaan van de mens bewijst.

4.

Wat zijn sociale verschillen?

a)

Verschillen tussen culturen.

b)

Verschillen tussen mensen in verschillende talenten.

c)

Verschillen tussen mensen in rijkdom, macht en aanzien.

5.

Wat is cultuur?

a)

Alles wat te maken heeft met ideeën van mensen en de manier waarop ze die uiten.

b)

Alles wat te maken heeft met het doen van ruilhandel.

6.

Waarom weten we weinig over de jager-verzamelaars?

a)

Omdat er maar weinig jager-verzamelaars waren.

b)

Zij leefden in de prehistorie, zij hadden daarom geen schrift waarin we hun ideeën kunnen lezen.

7.

Wat was de agrarische revolutie?

a)

De overgang van jagen-verzamelen als belangrijkste bestaansmiddel naar de landbouw.

b)

De overgang van landbouw als belangrijkste bestaansmiddel naar jagen-verzamelen.

c)

De revolutie waarbij mensen in plaats van een rondtrekkend bestaan (nomadisch) een leven op een vaste woonplaats krijgen (sedentair.

8.

Wanneer ontstond de moderne mens (de homo sapiens)?

a)

Ongeveer 65 miljoen jaar geleden.

b)

Ongeveer 200.000 v.Chr.

c)

Ongeveer in 500 n.Chr.

9.

Wanneer was de overgang naar de landbouw (De Agrarische Revolutie) in het Midden-Oosten?

a)

9000 v.Chr.

b)

4000 v.Chr.

c)

3100 v.Chr.

d)

332 v.Chr.

10.

Wanneer kwam Egypte onder 1 bestuur van de farao te staan?

a)

4000 v.Chr.

b)

3100 v.Chr.

c)

332 v.Chr.

11.

Wanneer kwam Egypte onder Grieks bestuur?

a)

9000 v.Chr.

b)

4000 v.Chr.

c)

3100 v.Chr.

d)

332 v.Chr.

12.

In Egypte en Mesopotamië ontwikkelden boeren irrigatielandbouw. Wat is irrigatielandbouw?

a)

Landbouw waarbij kanalen en andere waterwerken de akkers bevloeien.

b)

Het handmatig maken van producten of onderdelen daarvan met behulp van grondstoffen.

c)

Een verandering waarbij mensen niet alles zelf maken, maar zich toeleggen op één product en dus één beroep uitoefenen.

13.

Wat is nijverheid?

a)

Een verandering waarbij mensen niet alles zelf maken, maar zich toeleggen op één product en dus één beroep uitoefenen.

b)

Landbouw waarbij met kanalen en andere waterwerken de akkers worden bevloeid.

c)

Het handmatig maken van producten of onderdelen daarvan met behulp van grondstoffen.

14.

Wat is specialisatie?

a)

Landbouw waarbij met kanalen en andere waterwerken de akkers worden bevloeid.

b)

Het handmatig maken van producten of onderdelen daarvan met behulp van grondstoffen.

c)

Een verandering waarbij mensen niet alles zelf maken, maar zich toeleggen op één product en dus één beroep uitoefenen.

15.

Wat is een stedelijke gemeenschap?

a)

Een stad waarin mensen met verschillende beroepen samenwonen.

b)

Een stad waarin mensen met hetzelfde beroep samenwonen.

c)

Een stad waarin mensen met hetzelfde beroep tijdelijk leven maar daarna weer naar een dorp gaan.

16.

Wat is een farao?

a)

Een koning van Mesopotamië.

b)

Een koning van Griekenland.

c)

Een koning van Egypte.

17.

Wat is een staat?

a)

Een land met duidelijke grenzen, één bestuur en overal dezelfde wetten en regels.

b)

Een land zonder grenzen, verschillende besturen en verschillende wetten.

c)

Een stad waarbij mensen met verschillende beroepen samenwonen.

18.

Wat is een ambtenaar?

a)

Iemand die zelfstandig werkt voor een stad en de baas is over deze stad.

b)

Iemand die in dienst is van de koning en zorgt voor het uitvoeren van besluiten, zoals het innen van belasting en het handhaven van orde.

c)

Iemand die namens een groep contact heeft met god of goden.

19.

Egypte had een polytheïstische godsdienst. Wat is polytheïsme?

a)

Het geloof in één god.

b)

Het geloof in meer dan één god.

20.

De Egyptische godsdienst was polytheïstisch en een natuurgodsdienst. Wat is een natuurgodsdienst?

a)

Het geloof in meer dan één god.

b)

Het geloof in één god.

c)

Een godsdienst waarin natuurkrachten als de zon en het water worden aanbeden.

21.

In Egypte was de farao de koning. Onder de koning stonden priesters. Wat is een priester?

a)

Iemand die de koning helpt bij het innen van belasting.

b)

Iemand die de boeren helpt met het aanleggen van kanalen (irrigatielandbouw).

c)

Iemand die namens de groep contact heeft met god of goden.