wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets (H2)

Total questions: 35

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat was de naam van de eerste sociale wetgeving?

a)

De Algemene Ouderdoms Wet

b)

De Werkeloosheidswet

c)

De leerplichtwet

d)

De kinderwet

2.
wat richtten een paar arbeiders rond 1870 op?
a)
Vakbonden
b)
een scouting
c)
een politieke partij
3.

Wat zijn sociale wetten?

a)

Wetten die mensen socialer maakten

b)

Wetten die sociale verschillen groter maakten

c)

Wetten die arbeiders beschermden

d)

Wetten die kinderen naar school hielp

4.
Wat kun je zeggen over het werk van arbeiders rond 1870?
a)
te weinig vrije tijd
b)
hard werken voor weinig geld
c)
hard werken voor veel geld
5.
Waarom trekken fabriekseigenaren zich eerst niks aan van stakende arbeiders?
a)
Er zijn nog geen wetten om de arbeiders te beschermen
b)
Ze zijn de baas
c)
Ze doen lekker wat ze willen
6.

Wat is de sociale kwestie?

a)

Het drankprobleem van veel arbeiders

b)

De vraag of arbeiders wel of geen rechten moesten krijgen

c)

Het probleem van de fabrieksdirecteuren om genoeg personeel te vinden

d)

Het probleem van de slechte leef en werkomstandigheden van arbeiders

7.

Wat is een vakbond?

a)

Een school waar je een vak kan leren

b)

Een cursus om beter te worden in je werk

c)

Een vereniging die opkomt voor de belangen van werknemers met een bepaald beroep

d)

Een vereniging die fabriekseigenaren helpt om hun fabriek veiliger te maken

8.

Waarom werden steeds meer arbeiders lid van een vakbond?

a)

Ze betaalden het loon van de arbeiders door bij een staking

b)

Dat was het advies van de fabrieksdirecteur

c)

Als arbeider alleen bereikte je niet veel, maar een vakbond had meer macht.

d)

Als je niet lid was van een vakbond werd je ontslagen

9.

Waarom waren de fabrieksdirecteuren niet blij met de sociale wetten? Kier er twee

a)

De wetten waren ingewikkeld om te lezen

b)

Ze moesten ineens rekening houden met de veiligheid van hun personeel

c)

Arbeiders mochten niet meer zo lang werken zonder rust

d)

Er mochten minder arbeiders in de fabriek werken

10.

Waarom waren mensen in de stad vaak veel slechter af dan op het platteland?

a)

ze hadden vaker geen huis

b)

ze verbouwden zelf geen eten, dus konden niks voor zichzelf regelen als er geen eten was.

c)

ze hadden minder contact met hun buren

d)

door de smerige omstandigheden in de stad was de kans op ziekten veel groter.

e)

het eten in de stad was eenzijdig; mensen aten vaak alleen aardappelen of brood.

11.

Stelling: Vooral christelijke partijen waren tegen het kiesrecht voor vrouwen. Er stond namelijk in de bijbel dat de vrouw zich moest gehoorzamen aan de man.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.
De regering bestaat uit de koning en de ministers.
a)
Juist
b)
Onjuist
13.
Welke zin past het best bij de confessionelen?
a)
vrijheid van meningsuiting
b)
godsdienst moet de politiek bepalen
c)
niemand mag uitgebuit worden
d)
een werkdag duurt hooguit 8 uur
14.

Een land met een koning als staatshoofd noem je een...

a)

Monarchie

b)

parlementaire democratie

c)

Republiek

15.
Nederland krijgt in 1848 een nieuwe grondwet omdat:
a)
Thorbecke zijn voorstel voor een nieuwe grondwet zo goed was
b)
Willem I democratischer ging denken en de oude grondwet slecht vond
c)
Willem II bang was voor revolutie in Nederland zoals in andere landen
d)
Willem II een democraat was en vond dat het volk meer te vertellen moest hebben. 
16.

Welke van de 4 veranderingen stond NIET in de grondwet van 1848?

a)

De koning wordt onschendbaar. De ministers zijn verantwoordelijk voor de koning.

b)

Er komt algemeen kiesrecht

c)

De macht wordt vanaf nu verdeeld over drie verschillende machten.

d)

Iedereen krijgt dezelfde grondrechten.

17.

In welk jaar krijgt Nederland een nieuwe grondwet?

a)

1748

b)

1848

c)

1917

d)

1919

18.

Nederland is een constitutionele Monarchie.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Thorbecke was een liberaal. Wat is dat?

a)

Liberalen vinden dat de overheid zich veel met de burgers.moeten bemoeien.

b)

Liberalen vinden dat e meeste macht bij de koning meer moet liggen

c)

Liberalen vinden dat de burgers zoveel mogelijk beschermd moeten worden door de overheid.

d)

Liberalen vinden dat de overheid zich juist zo weinig mogelijk moet bemoeien met de burgers en de samenleving.

20.

Waarover gaat de sociale kwestie?

a)

Kiesrecht

b)

De slechte levensomstandigheden van de arbeiders

c)

De verzuiling

d)

Feminisme

21.

Doordat de arbeiders gingen samenwerken in vakbonden stonden ze sterker.

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Vanaf wanneer mochten vrouwen stemmen?

a)

1914

b)

1918

c)

1919

d)

1920

23.
Socialisten willen dat de overheid de inkomensverschillen verkleint.
a)
Juist
b)
Onjuist
24.

Nederlands is een democratie. Daarmee bedoelen we:

a)

Iedereen mag zich met de politiek bemoeien.

b)

Iedereen mag stemmen.

c)

Beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen.

d)

Een bestuursvorm waarbij alle burgers mogen meebeslissen en invloed kunnen uitoefenen op het bestuur van het land.

25.
Waarom trekken fabriekseigenaren zich eerst niks aan van stakende arbeiders?
a)
Er zijn nog geen wetten om de arbeiders te beschermen
b)
Ze zijn de baas
c)
Ze doen lekker wat ze willen
26.

In 1874 schrijft Samuel van Houten het Kinderwetje. Daar staat in dat:

a)

Kinderen niet meer in fabrieken en werkplaatsen mogen werken

b)

Kinderen tot 12 jaar leerplichtig zijn

c)

Vrouwen niet meer dan 4 kinderen mogen krijgen

d)

Kinderen alleen veilig werk mogen doen

27.

Wat betekende het kinderwetje van Van Houten voor de kinderen?

a)

Ze gingen eindelijk naar school

b)

Ze mochten stoppen met werken, behalve in de landbouw

c)

Helemaal niets! Het verbod werd namelijk niet gecontroleerd

d)

Kinderen gingen nu thuis het huishouden doen.

28.

Waarom waren mensen in de stad vaak veel slechter af dan op het platteland?

a)

ze hadden vaker geen huis

b)

ze verbouwden zelf geen eten, dus konden niks voor zichzelf regelen als er geen eten was.

c)

ze hadden minder contact met hun buren

d)

door de smerige omstandigheden in de stad was de kans op ziekten veel groter.

e)

het eten in de stad was eenzijdig; mensen aten vaak alleen aardappelen of brood.

29.

Welke groep was het eens met de volgende stelling:

Als een man mag stemmen bij een verkiezing, dan moet een vrouw dat ook mogen

a)

Socialisten

b)

Liberalen

c)

Feministen

30.

Het recht om te mogen stemmen is:

a)

actief kiesrecht

b)

passief kiesrecht

31.

Bij welk begrip hoort de volgende omschrijving?


"beweging die streeft gelijkberechtiging van achtergestelde groepen"

a)

Confessionalisme

b)

Emancipatiebeweging

c)

Feministische beweging

d)

Democratisering

32.

Wat is een staatssecretaris?

a)

Deze doet onderzoek naar de regering, als een minister veelvoudig een fout heeft gemaakt

b)

Een soort onderminister die de minister bijstaat.

c)

Deze is verantwoordelijk voor een gedeelte van het takenpakket van de minister

33.

Wie had in Nederland de (meeste) macht in Nederland in 1815?

a)

De minister-president

b)

De koning

c)

Het parlement

d)

Het volk

34.

Match het begrip met de juiste beschrijving

a)

Parlementaire democratie

1.

De regering is afhankelijk van het parlement

b)

Minister-president

2.

Eerste minister / premier

c)

Consitutionele monarchie

3.

Koning moet zich aan de grondwet houden

d)

Willem I

4.

Eerste koning van Nederland

e)

Willem II

5.

Ondertekende in 1848 de nieuwe grondwet

35.

Wie is de bedenker van de nieuwe grondwet van 1848?

a)

Willem I

b)

Willem II

c)

Thorbecke

d)

Montesquieu