wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3kb KADER Herhaling les 3 4 5

Total questions: 39

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

Een beroep waarbij je producten met de hand maakt.

a)

Gilde

b)

Ambacht

c)

Hanze

d)

Handel

2.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving? 

productie in fabrieken

(a)  

3.
Wat gebeurde er in 1929?
a)
Beurskrach
b)
Sterke economische groei
c)
Koningin Wilhelmina treed af
4.
Wat is een steunuitkering?
a)
Uitkering voor mensen die werkeloos waren
b)
Uitkering voor mensen die ter weinig verdiende
c)
Uitkering voor mensen die ziek waren
5.
Wanneer had je recht op een steunuitkering?
a)
Als je werkloos was, tussen de 21 en 60, geen schulden had.
b)
Als je werkloos was, verder waren er geen voorwaarden.
6.
Welk begrip past bij de volgende omschrijving: Project waaraan werklozen tegen een laag loon werkten en nuttig was voor de hele samenleving,...
a)
Werkprojecten
b)
Werkverschaffingsprojecten
c)
Arbeidcreatie
7.

Welke groep vond had dit standpunt?

Naast de overheid moet de kerk een duidelijke rol in de armenzorg blijven spelen.

a)

Katholieken en protestanten

b)

Liberalen

c)

Socialisten

d)

Extreem-rechts

8.

Liberalen vinden dat..

a)

Iedereen voor zichzelf moet zorgen

b)

Iedereen een goed loon moet krijgen

c)

Iedereen gebonden moet worden aan de regels uit de bijbel

d)

Iedereen meer rekening moet houden met het milieu

9.

In deze jaren 30 kregen veel mensen steun van de staat. Je kon deze vorm van uitkering kwijtraken als je niet regelmatig een ......... ging halen.

a)

Kaart

b)

Sticker

c)

Muntje

d)

Stempel

10.

De meeste rijken in ons land in de 19de eeuw waren aanhangers van het..

a)

Lberalisme

b)

Socialisme

c)

Confessionalisme

d)

Populisme

11.

Katholieken en protestanten behoren meestal tot de..

a)

Liberalen

b)

Socialisten

c)

Confessionelen

d)

Populisten

12.

Vul in: Een organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers noem je een ..

(a)  

13.

Welke politieke stroming wil het verschil tussen arm en rijk verkleinen?

a)

Liberalen

b)

Katholieken

c)

Socialisten

d)

Protestanten

14.

Wat is de sociale kwestie?

a)

Het drankprobleem van veel arbeiders

b)

De vraag of arbeiders wel of geen rechten moesten krijgen

c)

Het probleem van de fabrieksdirecteuren om genoeg personeel te vinden

d)

Het probleem van de slechte leef en werkomstandigheden van arbeiders

15.

Wat is een sociale wet?

a)

Een wet die de omstandigheden van vrouwen verbetert

b)

Een wet die de omstandigheden van rijke mensen verbetert

c)

wetten die de gevolgen van armoede, ziekte, ouderdom en werkloosheid bestrijden

d)

Een wet die kinderen verplicht om naar school te gaan

16.

Wat is een vakbond?

a)

Een school waar je een vak kan leren

b)

Een cursus om beter te worden in je werk

c)

Een vereniging die opkomt voor de belangen van werknemers met een bepaald beroep

d)

Een vereniging die fabriekseigenaren helpt om hun fabriek veiliger te maken

17.

In 1874 schrijft Samuel van Houten het Kinderwetje. Daar staat in dat:

a)

Kinderen niet meer in fabrieken en werkplaatsen mogen werken

b)

Kinderen tot 12 jaar leerplichtig zijn

c)

Vrouwen niet meer dan 4 kinderen mogen krijgen

d)

Kinderen alleen veilig werk mogen doen

18.

Wat betekende het kinderwetje van Van Houten voor de kinderen?

a)

Ze gingen eindelijk naar school

b)

Ze mochten stoppen met werken, behalve in de landbouw

c)

Helemaal niets! Het verbod werd namelijk niet gecontroleerd

d)

Kinderen gingen nu thuis het huishouden doen.

19.

Waarom werden steeds meer arbeiders lid van een vakbond?

a)

Ze betaalden het loon van de arbeiders door bij een staking

b)

Dat was het advies van de fabrieksdirecteur

c)

Als arbeider alleen bereikte je niet veel, maar een vakbond had meer macht.

d)

Als je niet lid was van een vakbond werd je ontslagen

20.

Waarom waren de fabrieksdirecteuren niet blij met de sociale wetten? Kier er twee

a)

De wetten waren ingewikkeld om te lezen

b)

Ze moesten ineens rekening houden met de veiligheid van hun personeel

c)

Arbeiders mochten niet meer zo lang werken zonder rust

d)

Er mochten minder arbeiders in de fabriek werken

21.

Waarom waren mensen in de stad vaak veel slechter af dan op het platteland?

a)

ze hadden vaker geen huis

b)

ze verbouwden zelf geen eten, dus konden niks voor zichzelf regelen als er geen eten was.

c)

ze hadden minder contact met hun buren

d)

door de smerige omstandigheden in de stad was de kans op ziekten veel groter.

e)

het eten in de stad was eenzijdig; mensen aten vaak alleen aardappelen of brood.

22.

Welk begrip hoort bij deze uitleg?

mensen helpen die onvoldoende voor zichzelf kunnen zorgen

(a)  

23.

In welk jaar kwam deze wet?

Leerplichtwet

(a)  

24.

In welk jaar kwam deze wet?

Kinderwetje van Van Houten

(a)  

25.

Welke politieke groep hoort bij de volgende uitspraak?

Als je arm bent is dat Gods wil. Dat moet je accepteren. Trouwens, de kerken zorgen voor de armen, dus dat hoeft de politiek niet te doen. Werkgevers zouden hun arbeiders vanuit christelijke waarden wel beter moeten behandelen.

(a)  

26.

Welke politieke groep hoort bij de volgende uitspraak?

Het is de plicht van de regering om de armen te helpen. We zijn immers allemaal mens, en dus gelijk. Die armoede is de schuld van de rijke fabrieksdirecteuren. Zij buiten arbeiders uit.

(a)  

27.

Welke politieke groep hoort bij de volgende uitspraak?

Ieder mens moet vrij zijn, en daarom zoveel mogelijk dingen zelf regelen. Het is niet de taak van de overheid om de ellende van mensen op te lossen.

(a)  

28.

In welk jaar brak de crisis in de VS uit?

(a)  

29.

Wat is geen oorzaak van de economische crisis in de VS?

a)

Overproductie in de landbouw

b)

Mensen hadden met geleend geld aandelen gekocht. Toen de beurs instortte konden ze die leningen niet meer terug betalen

c)

De huizenprijzen en de huren schoten zo snel omhoog dat bijna niemand meer een huis kon betalen.

d)

Er was te weinig toezicht geweest op de banken. Zij hadden mensen veel te veel geld laten lenen.

30.

Waarom sloeg de crisis over naar Europa?

a)

Amerikanen kochten minder producten uit Europa

b)

Amerikanen stopten met investeren in Europa.

c)

Amerika sleepte Europa mee in de crisis

d)

Amerika wilde geld lenen

31.

Wat is steunverlening?

a)

Mensen die alle mensen hielp zonder geld

b)

Mensen die werklozen hielp

c)

Regeling die mensen hielp die buiten hun schuld werkloos raakten

d)

Regeling die voor steun voor armen zorgde

32.

Wat zijn de gevolgen van de crisis in Nederland? Er zijn meer antwoorden goed!

a)

Er werden minder kinderen geboren

b)

Nederlandse bedrijven konden hun producten niet meer verkopen

c)

De stad liep leeg. Mensen gingen weer op het platteland wonen

d)

Bedrijven konden hun leningen niet meer aflossen en gingen failliet. Werknemers verloren hun baan

e)

Het aantal werklozen lier enorm op. Het aantal armen nam enorm toe

33.

Waar of niet waar:

Als je steun kreeg van de overheid was dat evenveel als je normale loon

a)

waar

b)

niet waar

34.

Waar of niet waar:

Als je steun ontving moest je twee keer per dag (op steeds verschillende tijden) een stempel halen op een stempelkantoor zodat je niet zwart kon werken.

a)

waar

b)

niet waar

35.

Waar of niet waar: als je niet kwam stempelen, of je kwam te laat, dan raakte je de steun kwijt.

a)

waar

b)

niet waar

36.

Welke omschrijving hoort bij het begrip 'werkverschaffing'?

a)

Moeten werken voor de overheid in ruil voor steun

b)

Vrijwilligerswerk voor de overheid

c)

Een nieuwe baan voor werklozen

d)

Gezond werk in de buitenlucht voor een redelijk salaris

37.

3 antw. goed. In welke omstandigheden leefden arbeiders tijdens de Industriële revolutie?

a)

Ze hadden grote huizen

b)

Ze hadden huizen met één of twee kamers

c)

Het werk was lawaaierig en onveilig

d)

Ouders moesten hun kinderen naar de fabriek sturen

e)

Fabriekseigenaren organiseerden schooltjes voor de arbeiderskinderen

38.
Wat kun je zeggen over het werk van arbeiders rond 1870?
a)
te weinig vrije tijd
b)
hard werken voor weinig geld
c)
hard werken voor veel geld
39.
Kenmerkend voor een industriële samenleving is
a)
meeste arbeiders in de industrie
b)
urbanisatie en bevolkingsgroei
c)
meeste arbeiders in industrie + snelle bevolkingsgroei
d)
verdwijnen van de landbouw