wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M2 AK - 1 en les 2 landbouw en industrie

Total questions: 37

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.
Multinational
a)
Het gebied dat voor de aanvoer en afvoer van goederen een haven nodig heeft.
b)
Land dat goederen verdeelt over het achterland
c)
Verbindingen tussen plaatsen.
d)
Groot bedrijf dat in veel landen een fabriek of kantoor heeft.
2.

Wat is de primaire sector?

a)

Industriële sector

b)

Landbouw sector

c)

Diensten Sector

3.

Welke sector is de Diensten sector?

a)

Tertiaire sector

b)

Secundaire sector

c)

Primaire sector

4.

Beroepen in de bouw en industrie horen bij de:

a)

Primaire sector

b)

Tertiaire sector

c)

Secundaire sector

5.

Welke 3 beroepen horen bij de primaire sector

a)

Akkerbouwer, metselaar, visser

b)

Veeteler, mijnwerker, lasser

c)

Tuinbouwer, visser groenteboer

d)

Akkerbouwer, visser, mijnwerker

6.

Wat is een halffabricaat?

a)

Staal en papier

b)

Katoenpluis, T-shirt

c)

Aardolie, plastic

d)

Rollen stof, bomen

7.

Waarom nam het aantal banen af in de Industrie?

a)

Omdat mensen aan de lopende band werken saai vinden.

b)

Omdat er geen werk meer is in de Industrie.

c)

Omdat de computers nu alles doen.

d)

Omdat mensen het werken in de fabriek vies vinden.

8.

Welke sector zie je hier?

a)

Primaire sector

b)

Secundaire sector

c)

Tertiaire sector

9.

Tot welke sector behoord de afbeelding?

a)

Primaire sector

b)

Secundaire sector

c)

Tertiaire sector

10.

Welke sector hoort hierbij?

a)

Tertiaire

b)

Secundaire

c)

Quartaire

d)

Primaire

11.

Op welke plaats is er vraag en aanbod van arbeiders

(a)  

12.

Juist/Onjuist Hoort een politieagent bij de secundaire sector?

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Steenkool is een voorbeeld van ...

a)

stukgoed

b)

natte massagoed

c)

droge massagoed

14.

Een auto is een voorbeeld van ...

a)

stukgoederen

b)

droog massagoed

c)

nat massagoed

15.

Wat is een voorbeeld van een stukgoed?

a)

Olie

b)

Pakjes sinaasappelsap

c)

Kolen

d)

Ertsen

16.

Stukgoederen zijn lichter dan massagoederen

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

De aanvoer van ertsen gebeurt met de trein en duwboot.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

bloemen – vlees – graan – zuivelproducten

Welk woord hoort er niet in het rijtje thuis?

a)

Bloemen, wordt niet geëxporteerd.

b)

Vlees, wordt niet geëxporteerd.

c)

Graan, wordt niet geëxporteerd.

d)

Zuivelproducten, wordt niet geëxporteerd.

19.

grasland – West-Nederland – koeien – eieren

Welk woord hoort niet thuis in dit rijtje?

a)

Grasland

b)

West Nederland

c)

Koeien

d)

Eieren

20.

Een auto is een voorbeeld van ...

a)

stukgoederen

b)

droog massagoed

c)

nat massagoed

21.

Wat is geen vestigingsplaatsfactor?

a)

Snelwegen (bereikbaarheid)

b)

Voldoende voedsel

c)

Grondstoffen

d)

Fabrieken

(agglomeratie-effect)

22.

Welke vestigingsvoorwaarde hoort niet in het rijtje thuis?

a)

infrastructuur

b)

recreatie mogelijkheden

c)

arbeidsmarkt

d)

grondstoffen

23.

Multinationals zijn....

a)

Bedrijven die in één land gevestigd zijn

b)

Mensen met één nationaliteit

c)

mensen met meerdere nationaliteiten

d)

Bedrijven die in meerder landen gevestigd zijn

24.

Wat is het verschil tussen de twee groepen vrachtgoed?

a)

stukgoederen zijn verpakt en massa goederen niet

b)

massa goederen worden altijd met de vrachtwagen vervoerd

c)

massa goederen zijn verpakt en stukgoederen niet

25.

Kies de beste vestigingsplaatsfactoren

a)

een hoogopgeleide arbeidsmarkt en goede verbindingen

b)

aanwezigheid van grondstoffen en verbindingen

c)

goede arbeidsmarkt,

rijke afzetmarkt, verbindingen

d)

goedkope arbeidsmarkt, grondstoffen en ligging

26.

Industriële inertie

a)

Een bedrijf blijft zitten waar het zit

b)

Een bedrijf past zich aan en zoekt nieuwe vestigingsplaatsfactoren

c)

Een bedrijf verhuist mee met de vestigingsplaatsfactoren

d)

Een bedrijf gaat zich op andere klanten richten

27.

Vroeger was het handig voor een fabriek om zich dichtbij grondstoffen te vestigen.

a)

waar

b)

niet-waar

28.

Schaalvergroting wil zeggen dat je een groter bedrijf maakt voor een grotere productie. Je richt je op één productieproces.

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

Typ het begrip dat past bij de volgende zin: De variatie van soorten planten en dieren

(a)  

30.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: het steeds groter worden van (landbouw)bedrijven

(a)  

31.

Een machine die het werk overneemt... Welk begrip past hierbij?

a)

Intensivering

b)

Mechanisatie

c)

Genetische modificatie

d)

Specialisatie

32.

Specialisatie in de landbouw is

a)

Er komen steeds grotere landbouwbedrijven

b)

Het ene landbouwbedrijf verbouwt graan het andere landbouwbedrijf verbouwt aardappels

c)

In een bepaald deel van het jaar is er veel werk op het landbouwbedrijf

d)

Er worden steeds meer machines in de landbouw gebruikt

33.

Seizoensarbeid in de landbouw is

a)

Er komen steeds grotere landbouwbedrijven

b)

Het ene landbouwbedrijf verbouwt graan het andere landbouwbedrijf verbouwt aardappels

c)

In een bepaald deel van het jaar is er veel werk op het landbouwbedrijf

d)

Er worden steeds meer machines in de landbouw gebruikt

34.

in Friesland vind je vooral

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen

35.

In Twente vind je v eel

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen

36.

In Oost-Groningen en Drenthe vind je veel

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen

37.

In het Westland vind je veel

a)

vleesveeteelt

b)

zuivelveeteelt

c)

akkerbouw

d)

groenten en bloemen