wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Halve blok 2

Total questions: 26

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

a)

>

b)

<

c)

=

2.
a)

>

b)

<

c)

=

3.
a)

>

b)

<

c)

=

4.

Ik maak een zandkasteel met 20 schelpen.
Dit is 4/6 van het aantal schelpen dat ik in totaal gebruik.
Hoeveel schelpen gebruik ik in totaal?

(a)  

5.

Wat is de GGD van 21 en 49?

(a)  

6.

Wat is het KGV van 3 en 7?

(a)  

7.

63 x 0,6 = ...

(a)  

8.

11 x 1,2 = ...

(a)  

9.

30 x 1,2 = ...

(a)  

10.

Duid de naam aan die NIET past bij deze figuur

a)

veelhoek

b)

vierhoek

c)

trapezium

d)

parallellogram

e)

ruit

11.

Wat is de omtrek van deze figuur? (enkel het getal)

(a)  

12.

1 cm op de tekening is in werkelijkheid 10 m
Wat is de werkelijke omtrek van deze rechthoek? (enkel het getal)

(a)  

13.

2/4 van (a)   = 120

14.

1000 x 0,4 = ...

(a)  

15.

10 x 0,03 =

(a)  

16.

3,1 x 100 = ...

(a)  

17.

2/4 …. 1/2

a)

<

b)

>

c)

=

18.

Een ruit is

a)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een vierhoek met vier even grote hoeken.

19.

Een rechthoek is

a)

een vlakke figuur met vier even lange zijden.

b)

een vlakke figuur met vier rechte hoeken.

c)

een vlakke figuur waarvan alle hoeken even groot zijn, namelijk 60°

d)

een vlakke figuur die wordt gevormd door drie hoeken en drie zijden.

20.

Een parallellogram is

a)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

een vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

een vlakke figuur met minstens één paar evenwijdige zijden.

d)

een ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige vlakken.

21.

Een trapezium is een ...

a)

ruimtefiguur met 2 paar evenwijdige zijden.

b)

vlakke figuur met 2 paar evenwijdige zijden.

c)

vlakke figuur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

d)

ruimtefiguur met minstens 1 paar evenwijdige zijden.

22.

Een vierkant is

a)

een vierhoek met vier rechte hoeken en vier even lange zijden.

b)

een vierhoek met vier rechte hoeken.

c)

een vierhoek met vier even lange zijden.

d)

een driehoek met drie even lange zijden en even grote hoeken.

23.

Elke vierkant is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Elke ruit is ook een rechthoek.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Elk vierkant is ook een trapezium.

a)

Waar

b)

Niet waar

26.

Elke ruit is ook een

a)

vierkant

b)

rechthoek

c)

parallellogram

d)

cirkel