wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formuleerfouten 3vbp

Total questions: 28

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Zal ik ........ vanavond om zeven uur ophalen?

a)

jou

b)

jouw

2.

Die aardige mevrouw liet ....... voor gaan bij de supermarkt.

a)

me

b)

mijn

3.

Ik doe ....... jas aan.

a)

mijn

b)

me

4.

De barman gaf _____ het wisselgeld niet terug, waardoor zij erg boos werden.

a)

hun

b)

hen

5.

Uiteindelijk vond mijn broertje in het buurmeisje de tennispartner ................... hij al die jaren op zoek was geweest.

a)

naar wie

b)

waarnaar

6.

Tot haar grote verdriet kan mijn zusje haar babypop, (a)   ze erg gehecht is, niet meer vinden.

7.

Ik maak dit strafwerk mooi niet, want vorige week hoefden zij/hun ook geen strafwerk te maken toen ze/hun het huiswerk niet af hadden.

a)

zij, ze

b)

zij, hun

c)

hun, ze

d)

hun, hun

8.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit/deze tafeltje. Wil jij hem/ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

9.

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun/zijn besluit om uit deze/dit team te stappen.

a)

hun, deze

b)

hun, dit

c)

zijn, deze

d)

zijn, dit

10.

De onderbouw (klas 2 en 3) heeft/hebben dit jaar geen proefwerkweek.

a)

heeft

b)

hebben

11.

Oudere mensen beweren vaak dat de jeugd van tegenwoordig geen enkel respect meer voor hen hebben.

a)

beweren = beweert

b)

hebben = heeft

c)

beweren = beweert EN hebben = heeft

12.

Uit onderzoek blijkt dat dertien procent van de Nederlanders niet goed kunnen lezen en schrijven.

a)

blijkt = blijken

b)

kunnen = kan

c)

blijkt = blijken EN kunnen = kan

13.

Een paar echte designerschoenen van een bekende ontwerper .................. op een veiling zo duizenden euro's op.

a)

levert

b)

leveren

14.

Ik las in de krant dat de Verenigde Staten het klimaatverdrag niet langer ...... steunen.

a)

wil

b)

wilt

c)

willen

15.

Maurice huilde en kijkt zijn vriendin wanhopig aan.

a)

correct

b)

foutief

16.
Ik liet de honden uit en mijn sleutels vallen.
a)

correct

b)

foutief

17.
In de winter ga ik naar Frankrijk om te skiën en naar Spanje om te zonnen.
a)

correct

b)

foutief

18.

Welke zin is fout?

a)
Ik hoop dat u zult genieten van de lunch en dat ik u morgen weer mag treffen.
b)
De tafel was gemaakt van eiken- en berkenhout.
c)
De bloemen bloeiden prachtig en geurden door het hele huis.
d)
Paul is ziek en naar huis gegaan.
19.

Schaatsen is gezond en doe ik regelmatig.

a)

correct

b)

foutief

20.

Deze winkel is erg goedkoop en daardoor erg populair.

a)

correct

b)

foutief

21.

Een hele school felgekleurde vissen .............. ons tijdens onze eerste duik.

a)

omringden

b)

omringde

c)

omringen

22.

Iets ............. te mooi klinkt om waar te zijn, is dat meestal ook.

a)

wie

b)

dat

c)

wat

d)

die

23.

De boer bluste de resten van het op zijn erf .............. (verbranden) tuinafval.

a)

verbrande

b)

verbrandde

c)

verbranden

d)

verbrandden

24.

Vorig jaar ........ Thomas in Nice een paar vrienden.

a)

ontmoet

b)

ontmoeten

c)

ontmoette

25.

Het (gebeuren) geregeld dat de paarden uit de wei ontsnappen.

(a)  

26.

Bob (melden) schade van inbraak bij de politie.

(a)  

27.

(Gapen) naar de televisie at Armin zijn avondmaaltijd.

(a)  

28.

De korting wordt automatisch (verrekenen).

(a)