WorksheetsK3 Vocabulary practise
Total questions: 27
Worksheet time: 27mins
Name
Class
Date
1.
Vertaal de volgende woorden van Engels naar Nederlands:
keys
(a)
2.
beads
(a)
3.
surprised
(a)
4.
amazed
(a)
5.
then
(a)
6.
everywhere
(a)
7.
history
(a)
8.
complex
(a)
9.
pockets
(a)
10.
creative
(a)
11.
designer
(a)
12.
fashion
(a)
13.
sweets
(a)
14.
Vertaal de volgende woorden van Nederlands naar Engels:
onderwerp
(a)
15.
gebeurtenis
(a)
16.
Duits
(a)
17.
rekenmachine
(a)
18.
leeftijd
(a)
19.
begrijpen
(a)
20.
lesgeven
(a)
21.
kerk
(a)
22.
waarheid
(a)
23.
uitvinding
(a)
24.
Zet de volgende onregelmatige werkwoorden in het verleden tijd (past simple):
(scheuren) to tear
(a)
25.
(woorden) become
(a)
26.
(graven) to dig
(a)
27.
(zetten) to put
(a)
100 %
