WorksheetsNederlands Taal Quiz
Total questions: 40
Worksheet time: 20mins
Wat is de persoonvorm in de zin: 'Hij loopt naar school.'?
loopt
Hij
school
naar
Wat is het onderwerp in de zin: 'De hond blaft luid.'?
De kat
De vogel
De hond
De vis
Wat is het lijdend voorwerp in de zin: 'Ik lees een boek.'?
een boek
Ik
lees
een
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: 'Zij speelt piano.'?
piano
speelt piano
speelt
Zij
Wat is het werkwoord in de zin: 'Wij eten pizza in de aula.'?
wij
eten
pizza
aula
Wat zijn de zelfstandig naamwoorden in de zin: 'De kat vangt muizen.'?
kat
De
muizen
vangt
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin: 'De rode auto rijdt snel.'?
auto
rijdt
rode
snel
Wat zijn de lidwoorden in de zin: 'Een vogel zingt in de boom.'?
de
een
het
in
Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de zin: 'De houten tafel staat in de kamer.'?
staat
de
in
houten
Wat is een synoniem voor het woord 'snel'?
traag
langzaam
vertraagd
vlug
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin: 'De groene appel is lekker.'?
is
appel
De
groene
Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: 'Hij rent snel naar huis.'?
rent
rent snel
snel naar huis
hij
Wat is het synoniem voor het woord 'mooi'?
prachtig
lelijk
afschuwelijk
verschrikkelijk
Vul de tegenstelling in van
vies
(a)
Vul de tegenstelling in van
vol
(a)
Vul de tegenstelling in van
zwak
(a)
Vul de tegenstelling in van
winnen
(a)
Vul het goede voorzetsel in:
Bij gebrek ___________belangstelling werd de reis uitgesteld.
voor
bij
naar
aan
Vul het goede voorzetsel in.
De schuldige werknemer werd ______ staande voet ontslagen.
met
op
naast
tussen
Vul het goede voorzetsel in.
De leerlingen keken verlangend uit ________ de vakantie.
in
met
naar
voor
Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?
Ik ben benieuwd naar de cijfers.
ben
benieuwd
naar
de
Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?
Hij speelde de eerste wedstrijd in aanwezigheid van zijn hele familie.
speelde
in
van
in, van
Enkelvoudige of samengestelde zin?
Enkelvoudige of samengestelde zin?
De docent zegt dat ook tegen hen.
Welk woordsoort?
dat
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.
Welk woordsoort?
zijn
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.
Welk woordsoort?
onder
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
persoonlijk voornaamwoord
Dat kleine hondje had haar bal onder de trap laten vallen.
Welk woordsoort?
dat
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
aanwijzend voornaam woord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
jonge
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.
Welk woordsoort?
De
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
voorzetsel
bijvoeglijk naamwoord
Het is jouw/jou fiets.
jouw
jou
De fiets is van jou.
bezittelijk voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Een samengestelde zin heeft ......
een persoonsvorm.
meer persoonsvormen.
Wat zijn voegwoorden?
Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.
Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.
Wat is het voegwoord?
Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.
wanneer
zal
zie
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.
tenzij
indien
doordat
Wat is het voegwoord?
Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.
klinkt
starten
zodra
Welk voegwoord moet worden ingevuld?
Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!
want
en
maar
dus
Wat is een synoniem?
Woorden die ongeveer dezelfde betekenis hebben
Woorden die je ongeveer hetzelfde schrijft
Woorden die je hetzelfde uitspreekt
Het synoniem voor exact....
Leveren
Precies
Gemakkelijk
Slecht
