Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands Taal Quiz

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonvorm in de zin: 'Hij loopt naar school.'?

a)

loopt

b)

Hij

c)

school

d)

naar

2.

Wat is het onderwerp in de zin: 'De hond blaft luid.'?

a)

De kat

b)

De vogel

c)

De hond

d)

De vis

3.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin: 'Ik lees een boek.'?

a)

een boek

b)

Ik

c)

lees

d)

een

4.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: 'Zij speelt piano.'?

a)

piano

b)

speelt piano

c)

speelt

d)

Zij

5.

Wat is het werkwoord in de zin: 'Wij eten pizza in de aula.'?

a)

wij

b)

eten

c)

pizza

d)

aula

6.

Wat zijn de zelfstandig naamwoorden in de zin: 'De kat vangt muizen.'?

a)

kat

b)

De

c)

muizen

d)

vangt

7.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin: 'De rode auto rijdt snel.'?

a)

auto

b)

rijdt

c)

rode

d)

snel

8.

Wat zijn de lidwoorden in de zin: 'Een vogel zingt in de boom.'?

a)

de

b)

een

c)

het

d)

in

9.

Wat is het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in de zin: 'De houten tafel staat in de kamer.'?

a)

staat

b)

de

c)

in

d)

houten

10.

Wat is een synoniem voor het woord 'snel'?

a)

traag

b)

langzaam

c)

vertraagd

d)

vlug

11.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin: 'De groene appel is lekker.'?

a)

is

b)

appel

c)

De

d)

groene

12.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: 'Hij rent snel naar huis.'?

a)

rent

b)

rent snel

c)

snel naar huis

d)

hij

13.

Wat is het synoniem voor het woord 'mooi'?

a)

prachtig

b)

lelijk

c)

afschuwelijk

d)

verschrikkelijk

14.

Vul de tegenstelling in van

vies

(a)  

15.

Vul de tegenstelling in van

vol

(a)  

16.

Vul de tegenstelling in van

zwak

(a)  

17.

Vul de tegenstelling in van

winnen

(a)  

18.

Vul het goede voorzetsel in:

Bij gebrek ___________belangstelling werd de reis uitgesteld.

a)

voor

b)

bij

c)

naar

d)

aan

19.

Vul het goede voorzetsel in.

De schuldige werknemer werd ______ staande voet ontslagen.

a)

met

b)

op

c)

naast

d)

tussen

20.

Vul het goede voorzetsel in.

De leerlingen keken verlangend uit ________ de vakantie.

a)

in

b)

met

c)

naar

d)

voor

21.

Wat is het voorzetsel in onderstaande zin?


Ik ben benieuwd naar de cijfers.

a)

ben

b)

benieuwd

c)

naar

d)

de

22.

Wat is het voorzetsel/ zijn de voorzetsels in onderstaande zin?


Hij speelde de eerste wedstrijd in aanwezigheid van zijn hele familie.

a)

speelde

b)

in

c)

van

d)

in, van

23.
Als het oudejaarsavond is, steken wij vuurwerk af.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
24.
Ook onze hond rent tijdens die geweldige feestnacht helemaal panisch rond door het oorverdovend lawaai, de lichtflitsen en de rook.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
25.

De docent zegt dat ook tegen hen.


Welk woordsoort?


dat

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

e)

persoonlijk voornaamwoord

26.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


zijn

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

persoonlijk voornaamwoord

27.

De jongen stalde zijn fiets naast het fietsenrek onder de brug.


Welk woordsoort?


onder

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

persoonlijk voornaamwoord

28.

Dat kleine hondje had haar bal onder de trap laten vallen.


Welk woordsoort?


dat

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

aanwijzend voornaam woord

29.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


jonge

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

30.

De jonge vader zocht in het bos naar takken voor in zijn houtkachel.


Welk woordsoort?


De

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

e)

bijvoeglijk naamwoord

31.

Het is jouw/jou fiets.

a)

jouw

b)

jou

32.

De fiets is van jou.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

33.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

34.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

35.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

36.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

37.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

38.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!

a)

want

b)

en

c)

maar

d)

dus

39.

Wat is een synoniem?

a)

Woorden die ongeveer dezelfde betekenis hebben

b)

Woorden die je ongeveer hetzelfde schrijft

c)

Woorden die je hetzelfde uitspreekt

40.

Het synoniem voor exact....

a)

Leveren

b)

Precies

c)

Gemakkelijk

d)

Slecht