wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H1 Bewegende aarde 1-6

Total questions: 64

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Het binnenste deel van de aarde dat erg heet is, maar door de enorme druk toch uit vast gesteente bestaat.

(a)  

2.

Het deel van de aarde dat ligt tussen de aardkern en de aardkorst. Het bestaat uit stroperig materiaal dat langzaam stroomt.

(a)  

3.

Stukken aardkorst

(a)  

4.

Het bewegen van platen.

(a)  

5.

Het enorme continent dat ooit bestond uit alle huidige continenten samen.

(a)  

6.

Punt op de aardkorst waar de meeste beweging van een aardbeving plaatsvindt.

(a)  

7.

Hiermee wordt de zwaarte van aardbevingen bepaald.

(a)  

8.

Gebergte dat ontstaat door het in elkaar drukken van gesteentelagen. Er ontstaan dan kreukelzones die omhoogkomen.

(a)  

9.

Aardbevingen komen alleen voor bij plaatbewegingen die langs elkaar gaan.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

"Het punt aan het aardoppervlak waar de aardbeving het sterkst is." Deze uitleg hoort bij het begrip:

a)

Aardbevingshaard

b)

Tsunami

c)

Epicentrum

d)

Hypocentrum

11.

Nederland ligt aan de grens van een plaat.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Wat is een supercontinent?

a)

Het grootste continent dat er nu is.

b)

Alle continenten aan elkaar vast

c)

Twee continenten aan elkaar vast

13.

Wat is de opbouw van de aarde?

a)

Aardkern-Aardkorst-Aardmantel

b)

Aardmantel-Aardkern-Aardkorst

c)

Aardkorst-Aardmantel-Aardkern

d)

Aardkorst-Aardkern-Aardmantel

14.

Wat is platentektoniek?

a)

Het ontstaan van vulkanen

b)

De soort platen.

c)

Het bewegen van de platen door de convectiestromen.

15.

Wat is de goede beschrijving voor een aardbeving?

a)

Het schudden van huizen.

b)

Het trillen van de grond.

c)

Een trilling van de aardkorst die ontstaat door opbouw van spanning bij plaatranden.

16.

Wat is een goede uitleg voor de begrippen epicentrum en hypocentrum?

a)

Epicentrum = De plaats waar de aardbeving ontstaat, hier voel je de schok bijna niet.

Hypocentrum = De plaats waar de aardbeving aan de aardkorst komt, hier voel je de schok het sterkst.

b)

Epicentrum = De plaats waar de aardbeving aan de aardkorst komt, hier voel je de schok het sterkst.

Hypocentrum = De plaats waar de aardbeving ontstaat.

17.

Wat is de Schaal van Richter?

a)

Hiermee meet je de kracht van een vulkaan.

b)

Hiermee zie je de aardplaten verschuiven.

c)

Hiermee meet je de sterkte van een aardbeving.

d)

Hiermee voel je een aardbeving aankomen.

18.

Waar komen aardbevingen voor?

a)

Aan de rand van een aardplaat.

b)

Midden op een aardplaat.

19.

Wat zijn de gevolgen van aardbevingen? (Klik alle goede antwoorden aan!)

a)

Gebouwen krijgen schade of storten in.

b)

Mensen raken gewond of overlijden.

c)

De regering krijgt geld.

d)

Mensen raken niet gewond.

20.

Vulkanen komen voor

a)

langs de randen van platen

b)

in het midden van een plaat

c)

In de aardkorst

d)

Ver weg van breuken

21.

Gunstige gevolgen van een vulkaanuitbarsting:

a)

Kostbare metalen en bruikbare stenen

b)

onbruikbare stenen en kostbare metalen

c)

Vruchtbare grond

d)

Veel aandacht in het nieuws

22.

Een actieve vulkaan is een vulkaan die

a)

nog wel een keer zou kunnen uitbarsten

b)

af en toe uitbarst

c)

nooit meer uitbarst

23.

Een slapende vulkaan is een vulkaan die

a)

nog wel een keer zou kunnen uitbarsten

b)

af en toe uitbarst

c)

nooit meer kan uitbarsten

24.

Als er gassen uit de vulkaan komen

a)

is het een dode vulkaan

b)

is het een slapende vulkaan

c)

is het een actieve vulkaan

25.

Landen in Europa waar vulkanen te vinden zijn

a)

Nederland

b)

IJsland

c)

Frankrijk

d)

Italië

26.

Een vulkaan begint in

a)

De aardkorst

b)

De aardmantel

c)

De kraterpijp

d)

De aardplaat

27.

Er is een vulkaanuitbarsting als

a)

Magma naar buiten naar de krater stroomt

b)

Magma naar binnen naar de krater stroomt

c)

Magma een andere naam krijgt

d)

Er veel slachtoffers vallen

28.

Een ander woord voor magma is

a)

Lovo

b)

Lava

c)

Leva

d)

Levi

29.

De meeste vulkanen ontstaan op plaatsen waar

a)

Stenen worden rondgeslingerd en as neer dwarrelt

b)

Aardplaten aan elkaar vastzitten

c)

Aardplaten tegen elkaar bewegen

d)

Aardplaten langs elkaar bewegen

30.

Wat is een goede beschrijving van het begrip vulkaan?

a)

Een berg waar lava uitkomt.

b)

Een gat in de grond.

c)

Een plek in de aardkorst waar magma uit de mantel aan het aardoppervlak komt.

31.

Wat is magma?

a)

Een vloeistof.

b)

Een vloeibaar gesteente in de mantel.

c)

Vloeibaar gesteente op de aardkorst.

32.

Waar komen vulkanen voor? (Klik alle goede antwoorden aan!)

a)

Waar de oceaanbodem onder een continent duikt.

b)

Waar platen langs elkaar bewegen.

c)

Waar platen uit elkaar gaan.

d)

Midden op een plaat.

33.

Wat gebeurd er bij een midoceanische rug?

a)

Helemaal niets.

b)

Er worden twee delen van een oceaanbodem uit elkaar getrokken. Zo ontstaat er een kier in de aardkorst, die direct gevuld wordt met magma. Hierdoor ontstaat een nieuw stukje oceaanbodem.

c)

Er verdwijnt oceaanbodem in de aardmantel.

34.

Wat komt er vrij bij een vulkaanuitbarsting? (Klik alle goede antwoorden aan!)

a)

Lava.

b)

Giftige gassen.

c)

As.

d)

Stenen

35.

Waarom is een aardbeving gevaarlijker dan een vulkaanuitbarsting?

a)

Een aardbeving is heftiger dan een vulkaan.

b)

Een aardbeving is onvoorspelbaarder dan een vulkaan.

c)

Een vulkaanuitbarsting is minder goed te voorspellen.

36.

Wat is platentektoniek?

a)

Het ontstaan van vulkanen

b)

De soort platen.

c)

Het bewegen van de platen door de convectiestromen.

37.

Vulkanen komen voor

a)

langs de randen van platen

b)

in het midden van een plaat

c)

In de aardkorst

d)

Ver weg van breuken

38.

welk woord past op nummer 1?

a)

as-wolk

b)

magma

c)

krater

d)

lava

39.

welk woord past op nummer 2?

a)

as-wolk

b)

magma

c)

krater

d)

lava

40.

welk woord past op nummer 3?

a)

as-wolk

b)

magma

c)

krater

d)

lava

41.

welk woord past op nummer 4?

a)

as-wolk

b)

magma

c)

krater

d)

lava

42.

Aardbevingen komen alleen voor bij plaatbewegingen die langs elkaar gaan.

a)

Juist

b)

Onjuist

43.

"Het punt aan het aardoppervlak waar de aardbeving het sterkst is." Deze uitleg hoort bij het begrip:

a)

Aardbevingshaard

b)

Tsunami

c)

Epicentrum

d)

Hypocentrum

44.

Een tsunami ontstaat door een aardbeving onder water.

a)

Juist

b)

Onjuist

45.

Een tsunami is gevaarlijk in ... water

a)

Diep

b)

Ondiep

46.

Tsunami's kunnen ontstaan wanneer een van de twee platen omhoog schiet.

a)

Juist

b)

Onjuist

47.

Nederland ligt aan de grens van een plaat.

a)

Juist

b)

Onjuist

48.

Nederland heeft lichte aardbevingen door:

a)

Gaswinning in het noorden

b)

Nederland ligt aan de rand van een plaat

c)

Kleine breuken in de plaat bij Limburg

d)

Twee platen die uit elkaar bewegen

49.

Dit is de binnenkant van de aarde. Wat hoort er op nummer 3?

a)

De kern

b)

De mantel

c)

De aardkorst

50.

Vroeger lag Nederland op de plek van de:

a)

Evenaar

b)

Rusland

c)

Amerika

d)

Antarctica

51.

Het bewegen van platen noem je:

a)

Platenmovement

b)

Platentektoniek

c)

Platentrilling

d)

Platenonderduiking

52.

Nederland ligt

a)

In het midden van een plaat

b)

Aan de rand van een plaat

53.

Aardbevingen meten we met de schaal van:

a)

Lichter

b)

Richter

c)

Bichter

d)

Michter

54.

Een aardbeving ontstaat door platen die stilstaan.

Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

55.

Magma zit binnenin de vulkaan.

a)

Ja!

b)

Nee!

56.

Een aardbeving met een kracht van 3 op de schaal van Richter is:

a)

Zwaar

b)

Zwak

57.

Lava is gesmolten steen

a)

Waar

b)

Niet waar

58.

Er komen geen vulkanen voor in Nederland

a)

Waar

b)

Niet waar

59.

Aardbevingen komen alleen op het land voor

a)

Waar

b)

Niet waar

60.

Een tsunami wordt hoog omdat de kust het water omhoog duwt.

a)

Waar

b)

Niet waar

61.

Ik kan herkennen dat er een tsunami aankomt omdat het water begint te bubbelen.

a)

Waar

b)

Niet waar

62.

Ik kan herkennen dat er een tsunami aankomt omdat het water begint te bubbelen.

a)

Waar

b)

Niet waar

63.

Bij een tsunami moet je naar:

a)

Hoger gebied

b)

Lager gebied

64.

Wat moet je NIET doen bij een tsunami?


Je kan meerdere antwoorden aanklikken!

a)

In de auto blijven zitten

b)

Op het strand blijven staan

c)

Naar hoger gebied vluchten

d)

Bovenop een hoog huis gaan zitten

e)

Doorgaan met werken