wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

voorbereiding module toets

Total questions: 11

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Twee leerlingen, we noemen ze voor het gemak even Tygo en Kamiel, hebben het echt té bont gemaakt en moeten na schooltijd helpen met het schoonmaken van de school. Stel er zijn 2 klussen die ze moeten doen: de vloer van de binnentuin dweilen en alle afvalemmers in het gebouw leegmaken. Tygo zou 3 kwartier over het dweilen doen, en anderhalf uur over het leegmaken van alle emmers. Kamiel zou de vloer in een 1 uur dweilen, en ook 1 uur over het leegmaken van alle emmers. Als ze de taken mogen verdelen, wie gaat dan wat doen?

a)

Kamiel gaat dweilen, Tygo gaat de afvalemmers leegmaken

b)

Kamiel gaat de afvalemmers leegmaken, Tygo gaat dweilen

2.

Stel dat er twee landen zijn: Frankrijk en Amerika, die beide kaas en vliegtuigen bouwen. De tabel in de bron geeft de arbeidsuren die voor de productie van tien vliegtuigen nodig zijn en de arbeidsuren die voor de productie van een miljoen ton kaas nodig zijn. Twee beweringen hierover.

I. Geen van beide landen heeft in beide producten een absoluut kostenvoordeel.

II. Amerika heeft een relatief kostenvoordeel in vliegtuigen.

Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide beweringen zijn juist.

b)

Bewering I is juist, bewering II is onjuist.

c)

Bewering II is juist, bewering I is onjuist.

d)

Beide beweringen zijn onjuist.

3.
extrinsieke waarde....
a)
waarde van het materiaal
b)
de dagwaarde
c)
waarde die op het geld staat (afgedrukt of geslagen)
d)
verzamelwaarde
4.
Betalen doe je met.....
a)
chartaal of met acceptgiro
b)
chartaal of giraal geld
c)
chartaal of smartphone
d)
bankbiljetten of munten
5.
Geld vervult de functies van...
a)
rekeneenheid, ruilmiddel en betaalmiddel
b)
rekeneenheid, ruilmiddel en zwemmiddel
c)
rekeneenheid, oppotmiddel en spaarmiddel
d)
rekeneenheid, ruilmiddel en oppotmiddel
6.

Geef aan welke functie van geld hier gebruikt wordt:

Ruud bewaart €450 in een blik dat hij verborgen heeft op zolder.

a)

ruilmiddel

b)

rekenmiddel

c)

oppotmiddel

7.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?

De waarde die op het bankbiljet staat vermeld.

a)

Interne waarde

b)

Externe waarde

c)

maatschappelijke geldhoeveelheid

d)

Fiduciair geld

e)

nominale waarde

8.

Welk begrip hoort bij de omschrijving?

Geld waarbij de waarde is gebaseerd op vertrouwen.

a)

Chartaal geld

b)

Externe waarde

c)

maatschappelijke geldhoeveelheid

d)

Fiduciair geld

e)

Giraal geld

9.
Inflatie is
a)
Een daling van de nominale waarde van geld
b)
Een daling van het algemeen prijspeil
c)
Een stijging van de nominale waarde van geld
d)

Een stijging van het algemeen prijspeil

10.
Inflatie is
a)
Een daling van de nominale waarde van geld
b)
Een daling van het algemeen prijspeil
c)
Een stijging van de nominale waarde van geld
d)

Een stijging van het algemeen prijspeil

11.

Door inflatie verandert...

a)

de nominale waarde: geld wordt minder waard

b)

de intrinsieke waarde: de materialen worden duurder

c)

beide niet, deze staan vast.

d)

Beide