Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Theorie les en leiding P1

Total questions: 20

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Waar staat de formule E = K x A voor.

a)

Effectiviteit = Kwaliteit x acceptatie

b)

Effectiviteit = Kwaliteit x activiteiten

c)

Eindresultaat = Kwaliteit x acceptatie

d)

Eindresultaat = Kwantiteit x acceptatie

2.

Noem 3 randvoorwaarden bij de beginsituatie?

a)

Beschikbare tijd, Beschikbare ruimte, Beschikbare materialen

b)

Beschikbare tijd, Beschikbare deelnemers, Beschikbare materialen

c)

Beschikbare doelstellingen, Beschikbare deelnemers, Beschikbare gegevens

d)

Beschikbare doelstellingen, Beschikbare deelnemers, Beschikbare materialen

3.

Bij motorisch gedrag gaat het meestal om?

a)

Denken

b)

Voelen

c)

Doen

4.

Welke richtlijnen van succesvol presenteren hoort bij de voorbereiding?

a)

Je taalgebruik en stemgebruik.

b)

de verbale communicatie, de non-verbale communicatie, de voorbereiding

c)

Het doel, je lichaamshouding en je stemgebruik

d)

De doelgroep, het doel en de afstemming.

5.

Wat betekent het begrip doelstellingen?

a)

Het uitgevoerde gedrag dat bereikt is door de groep

b)

Een omschrijving van het gedrag dat je wilt veranderen van een groep en of individu

c)

Een concreet geformuleerde doelstelling via de BWOM

d)

De doelen die aan het eind van de les gehaald moeten worden

6.

Een groep waarbinnen het niveau hetzelfde is noemen we een?

a)

Homogene groep

b)

Heterogene groep

c)

Biogene groep

d)

Niveau groep

7.

Een sportleider formuleert als doelstelling: “De SB-deelnemers kunnen een bovenhandse service vanaf de baseline slaan.” Een concreet geformuleerde doelstelling moet aan vier criteria voldoen. Op welk criterium heeft ‘bovenhandse service’ betrekking?

a)

De voorwaarden of omstandigheden

b)

De minimum prestatie

c)

De bewegingsvorm

d)

Het waarneembaar eindgedrag

8.

Waarvan is 'Zwaai over de sloot met haaien' een voorbeeld?

a)

Het is een voorbeeld van dat de taal aansluit bij de belevingswereld.

b)

Het is een voorbeeld van dat de informatie te kort is

c)

Het is een voorbeeld van dat de informatie algemeen moet zijn.

d)

Het is een voorbeeld van eenvoudige lichaamstaal

9.

Gegevens over de beginsituatie kun je op verschillende manieren verkrijgen. Waarvan maak je gebruik als je een test gebruikt om de beginsituatie vast te stellen?

a)

vragen stellen

b)

observeren

c)

interviewen

d)

specifieke middelen

10.

Welk van de antwoorden hoort niet bij "doelen over bewegingseigenschappen''?

a)


lopen

b)

kracht

c)

snelheid

d)

lenigheid

11.

De S van SMART is van

a)

Super

b)

Specifiek

c)

Speciaal

d)

Specialistisch

12.

Wat doe ik na het bepalen van beginsituatie en de doelstelling?

a)

Evaluatie

b)

De materialen klaarzetten

c)

De inhoud van de les bepalen

d)

Het tellen van de deelnemers van de les

13.

Doelstellingen kunnen ingedeeld worden op basis van

a)

Termijn

b)

Het materiaal wat nodig is

c)

Beschikbare ruimte

d)

Gedragsaspecten

14.

Het overwinnen van angst bij klimmen is een cognitieve doelstelling

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Het aanleren van de handstand in drie weken is een

a)

Middellangetermijndoelstelling

b)

Langetermijndoelstelling

c)

Lesdeeldoelstelling

d)

Kortetermijndoelstelling

16.

De juiste positie kiezen bij een zoneverdediging is een cognitief doel

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Het opspelen van een hoge set up naar een medespeler is een sociaal affectief doel

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

De eigen vaardigheid van de sport- en bewegingsleider is om meerdere redenen belangrijk voor de:

a)


motivatie

b)

voorbeeld

c)

acceptatie

d)

inleven

e)

hulpverlenen

19.

Ik moet voor de toets nog

a)

weinig leren

b)

veel leren

c)

heel veel leren

d)

een beetje leren

20.

Ik haal op de toets een

a)

Goed

b)

Zeer Goed

c)

Voldoende

d)

Onvoldoende