wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

B2 instandhouding

Total questions: 8

Worksheet time: 4mins

Name
Class
Date
1.

Een belangrijk verschil tussen organismen vissen en zoogdieren is de bloedsomloop: zoogdieren zoals katten hebben een dubbele bloedsomloop (een grote en een kleine), vissen hebben een enkele bloedsomloop.

Wat is kenmerkend voor een enkele bloedsomloop?

a)

Het bloed stroomt niet langs de huid om af te koelen.

b)

Het bloed stroomt niet langs de nieren om gezuiverd te worden.

c)

Het bloed stroomt van het hart naar het ademhalingsorgaan en daarna

rechtstreeks naar overige organen.

d)

Het bloed stroomt vanuit het hart zonder aderen of slagaderen door het

lichaam

2.

Welke manier van spijsvertering vindt vooral plaats bij cijfer 5?

a)

bacteriële spijsvertering

b)

chemische spijsvertering

c)

enzymatische spijsvertering

d)

mechanische spijsvertering

3.

Veel mensen ouder dan 60 jaar krijgen elk jaar een vaccinatie tegen griep. Een

vaccin tegen kinderziektes zoals bof of mazelen werkt een leven lang en wordt na de kindertijd zelden herhaald.

Waarom wordt die vaccinatie tegen griep jaarlijks herhaald?

a)

De ziekteverwekker die griep veroorzaakt verandert regelmatig van DNA

structuur.

b)

Griep wordt niet veroorzaakt door een bacterie of virus maar door kou en

vocht.

c)

Griep wordt niet veroorzaakt door een bacterie of virus maar door kou en

vocht.

d)

Op de leeftijd van ca. 60 jaar maakt het immuunsysteem nauwelijks nog

antistoffen aan.

4.

Wilfred vergelijkt de samenstelling van de ingeademde lucht met die van de uitgeademde lucht. In welke lucht zit het meeste koolstofdioxide?

a)

in de ingeademde lucht

b)

in de uitgeademde lucht

c)

In beide soorten lucht zit evenveel koolstofdioxide.

d)

In beide soorten lucht zit geen koolstofdioxide.

5.

In de darmen neemt het bloed voedingsstoffen op.

In welke darm vindt deze opname (resorptie) plaats?

a)

in de twaalfvingerige darm

b)

in de blindedarm

c)

in de endeldarm

d)

in de dunne darm

6.

Bij bepaalde ziektes wordt door de arts een antibioticum voorgeschreven. Een

bekende bijwerking van het gebruik van antibioticum is diarree, het gevolg van

een minder goede spijsvertering.

Waar en waardoor ontstaat deze bijwerking?

a)

In de mond: het antibioticum remt de werking van enzymen in de mond.

b)

In de maag: het antibioticum remt de werking van zuren in de maag

c)

In de dunne darm: het antibioticum remt de werking van gal (vetoplosser)

in de dunne darm.

d)

In de dikke darm: het antibioticum remt de werking van bacteriën in de

dikke darm.

7.

Zoogdieren die in hooggebergten leven zoals de jak, een rundersoort die in het Himalayagebergte rondloopt, zijn goed aangepast aan de ijle lucht. Welke aanpassing in het bloed zien we bij de jak?

a)

meer rode bloedcellen

b)

minder rode bloedcellen

c)

meer witte bloedcellen

d)

minder witte bloedcellen

8.

Lymfe is een ander woord voor de weefselvloeistof die zich in onze lymfevaten bevindt. Wat kenmerkt deze vloeistof?

a)

witte bloedcellen, zuurstofarm

b)

geen witte bloedcellen, zuurstofarm

c)

rode bloedcellen, zuurstofrijk

d)

geen rode bloedcellen, zuurstofrijk