Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Persoonsvorm enkelvoud of meervoud

Total questions: 61

Worksheet time: 1hrs 11mins

Name
Class
Date
1.

Persoonsvorm:

Wie van jullie is komen lopen?

a)

lopen

b)

is

c)

wie van jullie

d)

komen

2.

Persoonsvorm:

Daar heeft hij een geweldige overwinning behaald?

a)

daar

b)

hij

c)

heeft

d)

behaald

3.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
4.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
5.
Elke morgen start opa aan zijn ochtendwandeling van 8 km.
Deze zin staat in...
a)
het meervoud
b)
het enkelvoud
6.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
7.
Een agent heeft aan het drukke kruispunt het verkeer goed in de war gestuurd.
De persoonsvorm is:
a)
heeft
b)
drukke
c)
gestuurd
8.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
9.
Elke dag wandelde Lutje met haar hond Foksie naar het park om hem daar te laten ravotten met andere honden.
Het onderwerp in deze zin is...
a)
haar hond Foksie
b)
Foksie
c)
Lutje
d)
andere honden
10.
Anneke vertelde Marieke het geheim van haar broer.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
Anneke
b)
Marieke
11.
Terwijl mama het avondeten bereidt, leest papa in de woonkamer de krant.
De persoonsvorm is deze zin is...
a)
bereidt
b)
leest
12.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
13.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
14.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

15.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

16.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

17.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

18.

Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.

a)

ik

b)

wil kijken

c)

wil

d)

in de klas

19.

Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?

a)

Waarom

b)

schoenveter

c)

gaat

d)

gaat los

20.

Welke zin is goed?

a)

Ik heb gezien dat u naast shampoos ook kleurproducten verkopen.

b)

Ik heb gezien dat u naast shampoos ook kleurproducten verkoopt.

21.

Welke zin is goed?

a)

Haar piercings, wat zijn dat nu eigenlijk?

b)

Haar piercings, wat is dat nu eigenlijk?

22.

Welke zin is goed?

a)

In welke kleuren is de Hairchalk verkrijgbaar?

b)

In welke kleuren zijn de Hairchalk verkrijgbaar?

23.

Welke zin is goed?

a)

De vitamines in de mousse zorgt ervoor dat het haar gezond blijft.

b)

De vitamines in de mousse zorgen ervoor dat het haar gezond blijft.

24.

Welke zin is goed?

a)

We hopen dat u dit een leuk idee vindt.

b)

We hopen dat u dit een leuk idee vinden.

25.

Welke zin is goed?

a)

De producten geven glans en blendt mooi in het haar.

b)

De producten geven glans en blenden mooi in het haar.

26.

Welke zin is goed?

a)

Een deel van de deelnemers had blaren op de voeten.

b)

Een deel van de deelnemers hadden blaren op de voeten.

27.

Welke zin is goed?

a)

Het aantal aanmeldingen voor de kleurcursus zijn groot.

b)

Het aantal aanmeldingen voor de kleurcursus is groot.

28.

Welke zin is goed?

a)

Als u de bon meeneemt, krijgt u en uw vriendin korting .

b)

Als u de bon meeneemt, krijgen u en uw vriendin korting.

29.

Welke zin is goed?

a)

Een paar laarzen kost meer dan een paar sneakers.

b)

Een paar laarzen kosten meer dan een paar sneakers.

30.

Is het woord enkelvoud of meervoud: het handbalteam

a)

enkelvoud

b)

meervoud

31.

Is het woord enkelvoud of meervoud: de zakken met zand

a)

enkelvoud

b)

meervoud

32.

Is het woord enkelvoud of meervoud: de Nederlandse bevolking

a)

enkelvoud

b)

meervoud

33.

Is het woord enkelvoud of meervoud: het sportterrein met sportvelden

a)

enkelvoud

b)

meervoud

34.

Is het woord enkelvoud of meervoud: de politie

a)

enkelvoud

b)

meervoud

35.

Welk onderwerp is enkelvoud: De letters in het alfabet of het alfabet

a)

de letters in het alfabet

b)

het alfabet

36.

Welk onderwerp is meervoud: de bomen in het bos of het hele bos

a)

de bomen in het bos

b)

het hele bos

37.

Welk woord is het belangrijkste woord van het onderwerp: de toets met scheikundeopdrachten

a)

de

b)

toets

c)

met

d)

scheikundeopdrachten

38.

Welk woord is het belangrijkste woord van het onderwerp: het netwerk van draden

a)

het

b)

netwerk

c)

van

d)

draden

39.

Bij het onderwerp 'een netwerk van draden' kies ik dus een persoonsvorm in het

a)

enkelvoud

b)

meervoud

40.

Bij het onderwerp 'de toets met scheikundeopdrachten' kies ik dus een persoonsvorm in het

a)

enkelvoud

b)

meervoud

41.

Wat is het onderwerp in de zin: De vele vogels in onze tuin […] (eten, tt) alle besjes van onze struiken.

(a)  

42.

Vervoeg de persoonsvorm correct: De vele vogels in onze tuin […] (eten, tt) alle besjes van onze struiken.

(a)  

43.

Wat is het onderwerp in de zin: Het peloton van wielrenners (fietsen, vt) over de finish.

(a)  

44.

Vervoeg de persoonsvorm correct: Het peloton van welrenners (fietsen, vt) over de finish.

(a)  

45.

Vervoeg de persoonsvorm correct: Het bestuur van onze sportvereniging […] (besluiten, vt) de contributie niet te verhogen.

(a)  

46.

Vervoeg de persoonsvorm correct: De brandweerlui […] (blussen, vt) in een paar dagen de enorme heidebrand.

(a)  

47.

Tijdens de verhuizing werden veel meubels ... . (beschadigen)

(a)  

48.

De wielrenner heeft zich ... uit het peloton. (afscheiden)

(a)  

49.

Hij heeft de bladeren ... in een oud telefoonboek. (drogen)

(a)  

50.

De rekenboeken op onze school zijn ... . (vernieuwen)

(a)  

51.

De chauffeur heeft net op tijd ... . (remmen)

(a)  

52.

Hebben jullie haar goed ... ? (kennen)

(a)  

53.

Jullie hebben al heel wat kennis ... . (verwerven)

(a)  

54.

Het is niet ... wat jij doet. (verantwoorden)

(a)  

55.

Heb jij dit document al door ... ? (faxen)

(a)  

56.

Ik ben gisteren met het verkeerde been uit bed ... . (stappen)

(a)  

57.

Wat is hier nu weer ... ? (gebeuren)

(a)  

58.

De ... handen (samenvouwen)

(a)  

59.

De ... kinderen (verdwalen)

(a)  

60.

de ... winkel (gesloten)

(a)  

61.

het ... uur (verzetten)

(a)