wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BS 2 | Thema 3 Je gezondheid

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Zijn infectieziekten besmettelijk?

a)

ja

b)

nee

2.

Ziekteverwekkers zijn alle soorten bacteriën en virussen.

a)

onjuist

b)

juist

3.

Kun je diarree krijgen door ziekteverwekkers in je eten?

a)

juist

b)

onjuist

4.

In de afbeelding zie je een injectienaald.

Sandra vindt een injectienaald in het fietsenhok. Ze prikt zich per ongeluk.

Kan Sandra hierdoor ziek worden?

a)

ja

b)

nee

5.

De kans om een infectieziekte te krijgen wordt verkleind door een goede hygiëne.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Evi en haar broertje Jeremy moeten hun kamer schoonmaken, maar Evi vindt dat niet nodig. Jeremy zegt dat een schone kamer de kans verkleint dat je ziek wordt.

Heeft Jeremy gelijk?

a)

ja

b)

nee

7.

Je gaat binnenkort op vakantie. Het zou vervelend zijn als je dan ziek wordt.

Wat kun je op het gebied van hygiëne doen om de kans op ziek worden tijdens je vakantie te verkleinen?

a)

je kunt elke dag gezond eten

b)

je kunt je handen vak wassen

c)

je kunt warme kleiding dragen

8.

Kun je griep krijgen door ziekteverwekkers in de lucht?

a)

ja

b)

nee

9.

In de afbeelding zie je condooms. Menno vindt een condoom niet prettig zitten. Hij gebruikt daarom geen condoom tijdens het vrijen.

Kan Menno hierdoor ziek worden?

a)

ja

b)

nee

10.

Kun je het krijgen van infectieziekten helemaal voorkomen?

a)

ja

b)

nee

11.

Temel houdt van mode. Hij heeft een kast vol kleding die hij mooi vindt en waar hij zich goed in voelt.

Temels moeder helpt hem om zijn kleding goed schoon te houden.

Zijn moeder zegt dat schone kleding de kans op infectieziekten verkleint.

Heeft Temels moeder gelijk?

a)

ja

b)

nee

12.

Hedwig gaat volgende week haar familie bezoeken in Duitsland.

Ze wil daarom goed haar best doen om niet ziek te worden.

Wat kan Hedwig doen op het gebied van hygiëne om de kans op ziek worden te verkleinen?

a)

Ze kan dingen eten die bedorven zijn.

b)

Ze kan mensen bezoeken die verkouden zijn.

c)

Ze kan zich elke dag wassen.

13.

Kun je een infectieziekte krijgen door een virus?

a)

ja

b)

nee

14.

Mensen die ziekteverwekkers bij zich dragen kunnen je ziek maken.

a)

juist

b)

onjuist