wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets V2 P1

Total questions: 38

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Chronologisch

b)

Tegenstellend

c)

Oorzakelijk

d)

Opsommend

2.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsommend

b)

Oorzakelijk

c)

Tegenstellend

d)

Toelichtend

3.

Welk tekstverband vind je in de onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

Chronologisch

b)

Oorzakelijk

c)

Toelichtend

d)

Tegenstellend

4.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

Vergelijkend

b)

Opsommend

c)

Tegenstellend

d)

Chronologisch

5.

Omdat ik graag een goed cijfer wil voor de toets, ga ik de stof extra vaak herhalen.

a)

voorwaardelijk verband

b)

tegenstellend verband

c)

redengevend verband

d)

oorzakelijk verband

6.

Wat geeft een doel-middelverband aan?

a)

onder welke voorwaarden iets gebeurt

b)

de andere kant van de zaak

c)

welk middel wordt gebruikt om een bepaald doel te bereiken

d)

een verkorte weergave van de informatie uit de tekst

7.

Wat geeft een toegevend verband aan?

a)

De andere kant van een zaak

b)

Onder welke voorwaarden iets gebeurt

c)

Een verkorte weergave van de tekst

d)

Welk middel wordt gebruikt om een bepaald doel te bereiken

8.

Welk tekstverband staat er in deze zin?: Een dronken automobilist reed mijn tante aan, waardoor ze in het ziekenhuis belandde.

a)

redengevend verband

b)

uitleggend verband

c)

chronologisch verband

d)

oorzakelijk verband

9.

Dit is zijn verhaal.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

10.

Ik heb haar nog niet gezien vandaag.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

11.

We herinneren ons helemaal niets.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

12.

Wie heb jij afgelopen zomer het meest gemist?

a)

Persoonlijk voornamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

c)

Aanwijzend voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

13.

Ik begrijp die taal nog niet zo goed

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Persoonlijk voornaamwoord

c)

Bezittelijk voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

14.

Waarom moeten wij juist kunnen spellen?

a)

Vragend voornaamwoord

b)

Bijwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

15.

Welke functie heeft dit woord in de zin?

a)

Vragend voornaamwoord

b)

Vraagwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

16.

Ouders willen hun tijd niet verspillen aan fietsen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

17.

Herinnert u zich nog dat u moet terugbellen?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

18.

Men vindt tegenwoordig steeds meer dat roken verboden moet worden.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

19.

Benoem het onderstreepte zinsdeelstuk.

Met de grootste inzet van allemaal heeft die ontzettend hardwerkende leerling alle toetsen gehaald.

a)

bijvoeglijke bepaling

b)

ondergeschikte bijwoordelijke bepaling

c)

geen van beide mogelijkheden

20.

Benoem het onderstreepte zinsdeelstuk.

Met de grootste inzet van allemaal heeft die ontzettend hardwerkende leerling alle toetsen gehaald.

a)

bijvoeglijke bepaling

b)

ondergeschikte bijwoordelijke bepaling

c)

geen van beide mogelijkheden

21.

Benoem het onderstreepte zinsdeelstuk.

Met de grootste inzet van allemaal heeft die ontzettend hardwerkende leerling alle toetsen gehaald.

a)

bijvoeglijke bepaling

b)

ondergeschikte bijwoordelijke bepaling

c)

geen van beide mogelijkheden

22.

Wat zijn de bijvoeglijke bepalingen?

De afronding van de moeilijke schrijfopdracht bleek voor de nerveuze kandidaat zeer lastig.

a)

van de moeilijke schrijfopdracht, moeilijke en nerveuze

b)

afronding, schrijfopdracht en kandidaat

c)

lastig

23.

Wat is de obwb?

De afronding van de moeilijke schrijfopdracht bleek voor de nerveuze kandidaat zeer lastig.

a)

moeilijke → schrijfopdracht

b)

zeer → lastig

c)

nerveuze → kandidaat

d)

van de moeilijke schrijfopdracht → afronding

24.

Wat zijn de obwb's?

Zelfs de meest ervaren verhuizers van dit bedrijf konden de ontzettend zware buffetkast slechts met de grootste moeite optillen.

a)

meest → ervaren, ontzettend → zware

b)

ervaren → verhuizers, zware → buffetkast

25.

Wat later vinden we in het Zuiden van de VS de eerste echte blueszanger, Blind Lemon Jefferson. Bijstelling is ...

a)

wat later

b)

Zuiden van

c)

blueszanger

d)

Blind Lemon Jefferson

e)

eerste echte

26.

In de jaren zestig hebben Cuby and the Blizzards, een Drentse popgroep, grote faam verworven met rauwe stadsblues. Bijstelling is ...

a)

Cuby and the Blizzards

b)

een Drentse popgroep

c)

grote

d)

rauwe stadsblues

27.

De jonge Herman Brood is enige tijd lid van deze popgroep geweest. Naamw. gez. is ...

a)

De jonge Herman Brood

b)

is geweest

c)

is lid geweest

d)

is lid van deze popgroep geweest

28.
Welk leenwoord is goed geschreven?
a)
sciencefiction
b)
science-fiction
c)
science fiction
29.
Welk leenwoord is goed geschreven?
a)
comedy
b)
com-edy
c)
comedie
30.
Welk leenwoord is goed geschreven?
a)

holigans

b)

hooligans

c)

hoolligans

31.

In het woord 'enquete' gebruik je ...

a)

een accent aigu

b)

een accent grave

c)

een accent circonflexe

d)

geen accent

32.

In het woord 'premiere' gebruik je ...

a)

een accent aigu

b)

een accent grave

c)

een accent circonflexe

d)

geen accent

33.
Welk werkwoord is goed vervoegd?
a)
Ik heb gemaild
b)
Ik heb gemailt
c)
Ik heb gemailend
d)
Ik heb gemailent
34.
Welk werkwoord is goed vervoegd?
a)
Hij coacht
b)
Hij coachd
c)
Hij coachen
d)
Hij coachdt
35.
Welk werkwoord is goed vervoegd?
a)
Is het geüpdatet?
b)
Is het geüpdate?
c)
Is het geüpdated?
d)
Is het geüpdadt?
36.

barbecueën

"Iedereen ……………. wel eens", beweerde de slager.

a)

barbecued

b)

barbecuet

c)

barbecuut

d)

bbq-t

37.

leasen

Mijn moeder heeft de auto voordelig ………….. .

a)

geleesd

b)

geleast

c)

geleasd

d)

geleased

38.

finishen

Gisteren …………… Margot als eerste op de 500 meter hardlopen.

a)

finishte

b)

finishde

c)

finiste

d)

finisde