Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Schooltaalwoorden Les 3

Total questions: 25

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent 'aantreffen'?

a)

te weinig hebben

b)

zegt, volgens

c)

vinden, zien

d)

in het begin, vroeger

2.

Wat betekent 'oorspronkelijk'?

a)

van de ene kant, van de andere kant

b)

in het begin, vroeger

c)

de reden waarom iets gebeurt

d)

de conclusie

3.

Wat betekent 'de conclusie'?

a)

bijna geen, bijna niet

b)

te weinig

c)

de reden waarom iets gebeurt

d)

wat je hebt geleerd nadat je onderzoek hebt gedaan of na bijv. een discussie

4.

Wat betekent 'aldus'?

a)

de conclusie

b)

zegt, volgens

c)

bijna geen, bijna niet

d)

de oorzaak

5.

Wat betekent 'in vergelijking met'?

a)

van de ene kant, van de andere kant

b)

als je kijkt naar de dingen die hetzelfde zijn en die anders zijn

c)

in het begin, vroeger

d)

de reden waarom iets gebeurt

6.

Wat betekent 'nauwelijks'?

a)

oorspronkelijk

b)

bijna geen, bijna niet

c)

te weinig (hebben)

d)

zegt, volgens

7.

Wat betekent 'de oorzaak'?

a)

vinden, zien

b)

van de ene kant, van de andere kant

c)

de reden waarom iets gebeurd

d)

de conclusie

8.

Wat betekent 'enerzijds, anderzijds'?

a)

zegt, volgens

b)

in vergelijking met

c)

de oorzaak

d)

van de ene kant, van de andere kant

9.

Wat betekent 'gebrek aan'?

a)

te weinig (hebben)

b)

bijna geen, bijna niet

c)

zegt, volgens

d)

als je kijkt naar de dingen die hetzelfde en anders zijn

10.

Ik ken jullie nu bijna drie maanden en mijn (a)   is, dat jullie leuke leerlingen zijn.

11.

(a)   met vorig jaar zijn er dit jaar veel meer leerlingen. Vorig jaar hadden we alleen S16 en S17, nu hebben we S16, S17, S18 en S19.

12.

Het gebouw op de Polderweg was (a)   ons enige gebouw, maar nu zit de school op drie plaatsen in Amsterdam.

13.

Op de Polderweg _________ we de meeste leerlingen __________.

(a)  

14.

Het MLO heeft nu dus helemaal geen ________ __________ leerlingen.

(a)  

15.

We kunnen maar (a)   goede juffen en meesters vinden om iedereen les te geven.

16.

Wie weet wat (a)   is, dat er zoveel leerlingen op het MLO zitten?

17.

Het is bijna vakantie. ___________ vind ik dat heel fijn, _________ niet, want in de kerstvakantie moet ik altijd zo veel doen.

(a)  

18.

"Het is goed om twee weken niet te werken," (a)   de dokter.

19.

Het is in Brazilië heel erg warm en daar is een groot (a)   water.

20.

Ik moet boodschappen doen, ik heb (a)   eten in huis.

21.

Er wonen heel veel mensen in Nederland (a)   met Zweden. Zweden is elf keer groter dan Nederland, maar er wonen 50% minder mensen.

22.

De meeste leerlingen hebben een hoog cijfer, maar sommige leerlingen niet. (a)   van de meester is, dat sommige leeringen niet goed hebben geleerd.

23.

Wat gaan we (a)   als we in de kluisjes van de leerlingen gaan kijken?

24.

"Het is slim om één keer per jaar in alle kluisjes te kijken!" (a)   de politie.

25.

Veel mensen uit Amsterdam komen daar (a)   niet vandaan. Ze komen uit het buitenland of uit andere provincies in Nederland.