WorksheetsSchooltaalwoorden Les 3
Total questions: 25
Worksheet time: 21mins
Wat betekent 'aantreffen'?
te weinig hebben
zegt, volgens
vinden, zien
in het begin, vroeger
Wat betekent 'oorspronkelijk'?
van de ene kant, van de andere kant
in het begin, vroeger
de reden waarom iets gebeurt
de conclusie
Wat betekent 'de conclusie'?
bijna geen, bijna niet
te weinig
de reden waarom iets gebeurt
wat je hebt geleerd nadat je onderzoek hebt gedaan of na bijv. een discussie
Wat betekent 'aldus'?
de conclusie
zegt, volgens
bijna geen, bijna niet
de oorzaak
Wat betekent 'in vergelijking met'?
van de ene kant, van de andere kant
als je kijkt naar de dingen die hetzelfde zijn en die anders zijn
in het begin, vroeger
de reden waarom iets gebeurt
Wat betekent 'nauwelijks'?
oorspronkelijk
bijna geen, bijna niet
te weinig (hebben)
zegt, volgens
Wat betekent 'de oorzaak'?
vinden, zien
van de ene kant, van de andere kant
de reden waarom iets gebeurd
de conclusie
Wat betekent 'enerzijds, anderzijds'?
zegt, volgens
in vergelijking met
de oorzaak
van de ene kant, van de andere kant
Wat betekent 'gebrek aan'?
te weinig (hebben)
bijna geen, bijna niet
zegt, volgens
als je kijkt naar de dingen die hetzelfde en anders zijn
Ik ken jullie nu bijna drie maanden en mijn (a) is, dat jullie leuke leerlingen zijn.
(a) met vorig jaar zijn er dit jaar veel meer leerlingen. Vorig jaar hadden we alleen S16 en S17, nu hebben we S16, S17, S18 en S19.
Het gebouw op de Polderweg was (a) ons enige gebouw, maar nu zit de school op drie plaatsen in Amsterdam.
Op de Polderweg _________ we de meeste leerlingen __________.
(a)
Het MLO heeft nu dus helemaal geen ________ __________ leerlingen.
(a)
We kunnen maar (a) goede juffen en meesters vinden om iedereen les te geven.
Wie weet wat (a) is, dat er zoveel leerlingen op het MLO zitten?
Het is bijna vakantie. ___________ vind ik dat heel fijn, _________ niet, want in de kerstvakantie moet ik altijd zo veel doen.
(a)
"Het is goed om twee weken niet te werken," (a) de dokter.
Het is in Brazilië heel erg warm en daar is een groot (a) water.
Ik moet boodschappen doen, ik heb (a) eten in huis.
Er wonen heel veel mensen in Nederland (a) met Zweden. Zweden is elf keer groter dan Nederland, maar er wonen 50% minder mensen.
De meeste leerlingen hebben een hoog cijfer, maar sommige leerlingen niet. (a) van de meester is, dat sommige leeringen niet goed hebben geleerd.
Wat gaan we (a) als we in de kluisjes van de leerlingen gaan kijken?
"Het is slim om één keer per jaar in alle kluisjes te kijken!" (a) de politie.
Veel mensen uit Amsterdam komen daar (a) niet vandaan. Ze komen uit het buitenland of uit andere provincies in Nederland.
