wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets V1 P1

Total questions: 45

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
2.
Wat is de hoofdgedachte van een artikel?
a)
Het tekstdoel
b)
De kortst mogelijke samenvatting van de tekst
c)
Het onderwerp
d)
Waarom de schrijver de tekst heeft geschreven
3.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
4.

Wat is de woordraadstrategie?

a)

Hiermee kun je woorden leren kennen.

b)

Hiermee kun je woorden beter onthouden.

c)

Hiermee kun je de betekenis van woorden uit de tekst ontdekken.

d)

Hiermee kun je woorden leren onthouden.

5.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

Het bevat het belangrijkste nieuws van een nieuwsbericht.

b)

Het vat de belangrijkste inhoud van een tekst in enkele zinnen samen.

c)

Het vertelt in één zin wat de tekst over het onderwerp van de tekst zegt.

6.

Wat is het onderwerp van een biografie over Poetin?

a)

Dat weet je niet zonder het boek gelezen te hebben.

b)

Een boek heeft nooit een onderwerp.

c)

Poetin.

d)

Poetin zoals hij het zelf zou vertellen.

7.

Wat is de mogelijke hoofdgedachte van een tekst over schoonmaakmiddelen?

a)

Ook een kast vol met jaren oude schoonmaakmiddelen?

b)

De meeste schoonmaakmiddelen zijn eigenlijk overbodig.

c)

Veel mensen weten niet dat je de schimmel in je badkamer met azijn kunt wegkrijgen.

8.

Teksten over hetzelfde onderwerp en met hetzelfde doel hebben dezelfde hoofdgedachte.

a)

Dat zou kunnen, maar hoeft niet.

b)

Ja, want de teksten willen hetzelfde bereiken.

c)

Nee, elke tekst is verschillend en heeft dus een andere hoofdgedachte.

9.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
10.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
11.
• Bekijk de tekst:  – Kijk naar de titel. – Kijk naar de foto’s en plaatjes bij de tekst.  –  Kijk naar lijstjes, rijtjes of schema’s die er misschien bij staan.  –  Kijk naar tussenkopjes (als die er zijn); een tussenkopje is de ‘titel’ van een tekstgedeelte.  – Let op anders gedrukte letters (vet, cursief, GROOT of gekleurd).  • Lees de eerste alinea; meestal is die vetgedrukt. • Geef antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
a)
zo vind je de alinea's
b)
zo vind je de hoofdgedachte
c)
zo vind het onderwerp
12.
Hierin wordt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is.
a)
in het middenstuk
b)
in het slot
c)
in de inleiding
13.

Wat zit er altijd in het werkwoordelijk gezegde?

a)

Persoonsvorm

b)

Voltooid deelwoord

c)

Infinitief

d)

Alle vormen komen altijd voor

14.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Zij moest een heel stuk lopen om naar school te komen

a)

moest

b)

komen

c)

moest te komen

d)

moest komen

15.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Ze leest elke dag een paar bladzijdes in haar spannende boek.

(a)  

16.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Ze wil elke avond graag even televisie kijken

a)

wil

b)

wil kijken

c)

kijken

17.

Waar of niet waar?

'Aan het' en 'te' kunnen bij het werkwoordelijk gezegde horen.

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

De boer rijdt de tractor van het erf naar het weiland.

a)

rijdt naar

b)

rijdt van naar

c)

rijdt

d)

rijd

19.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Merel is haar horloge op school kwijtgeraakt

a)

is

b)

kwijtgeraakt

c)

is kwijtgeraakt op

d)

is kwijtgeraakt

20.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Haar vriendin heeft het rokje uit de winkel nooit mooi gevonden.

a)

heeft

b)

heeft gevonden

c)

gevonden

d)

heeft uitgevonden

21.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

Waarom wil mijn broertje altijd voetballen op het veldje tegenover ons huis?

a)

waarom

b)

voetballen

c)

wil

d)

wil voetballen

22.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Zij moet leren om naar haar moeder te luisteren

(a)  

23.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin?

Ze was naar haar moeder aan het luisteren.

(a)  

24.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
25.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
26.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
27.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Eet professor Perkamentus graag snoep? 
a)
eet
b)
professor Perkamentus
c)
snoep
d)
graag
28.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
29.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
30.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
31.
De (blauw) .................. jas.
a)
blauwe
b)
blauw
c)
blauwen
32.
Het (papier) ............... huisje
a)
papiere
b)
papier
c)
papieren
33.
De (goud) ............. ring.
a)
goude
b)
goud
c)
gouden
34.
Het (leuk) ...................... bootje.
a)
leuke
b)
leuk
c)
leuken
35.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

36.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

37.
Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan in de zin: De marktkoopman verkoopt bananen, appels en peren.
a)
2
b)
3
c)
4
38.
Hoeveel lidwoorden zitten in de volgende zin?De ober heeft het eten teruggebracht naar de keuken
a)
2
b)
3
c)
geen
39.
Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de volgende zin?Tussen de boeken op het tafeltje stond een oude computer
a)
tussen
b)
computer
c)
boeken
d)
oude
40.
Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan in de volgende zin?De harde muziek maakte de schrijver erg verdrietig
a)
geen
b)
1
c)
2
d)
3
41.

Wat is het lidwoord en wat voor soort is het?: Dat is een heel goede vraag.

a)

een, olw

b)

een, blw

c)

dat, olw

d)

dat, blw

42.

Wat is het lidwoord en wat voor soort is het?: In de winkel liggen veel boeken.

a)

de, olw

b)

de, blw

c)

In, olw

d)

Er zit geen lidwoord in de zin.

43.

Is het zn concreet of abstract?: De ruzie liep flink uit de hand.

a)

c-zn

b)

a-zn

44.

Wat voor zn is het?: Je moeder komt wat later thuis.

a)

c-zn

b)

a-zn

c)

zn-e

45.

Wat voor zn is het?: Later wil ik op reis naar Australië.

a)

c-zn

b)

a-zn

c)

zn-e