wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica

Total questions: 73

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

2.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

3.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

4.

Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

5.

Wat is de pv: Ze hebben de fiets niet binnen gezet

a)

hebben

b)

gezet

c)

Ze

d)

de fiets

6.

Wat is de pv: Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

7.

Wat is de pv: Ga jij de honden nog uitlaten vandaag?

a)

de honden

b)

vandaag

c)

nog

d)

Ga

8.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

9.

Wat is de pv: Deze moeilijke zin is bijna niet te doen.

a)

Deze moeilijke zin

b)

is

c)

bijna

d)

niet te doen

10.

Wat is de pv: Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

11.

Wat is de pv: De Kidsweek ligt te wachten in de klas.

a)

ligt

b)

de Kidsweek

c)

te wachten

d)

de klas

12.

Wat is de pv: Wij zijn op tijd naar huis gegaan.

a)

naar huis

b)

wij

c)

gegaan

d)

zijn

13.

Wat is de pv: Gisteren overstroomde de rivier compleet.

a)

gisteren

b)

de rivier

c)

compleet

d)

overstroomde

14.

Wat is de pv: Volgende week ga ik met mijn vriendin naar de bios.

a)

ga

b)

ik

c)

mijn vriendin

d)

week

15.

Wat is de pv: Bij biologie zitten we op de eerste rij.

a)

we

b)

biologie

c)

zitten

d)

rij

16.

Wat is de pv: Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.

a)

ik

b)

wil kijken

c)

wil

d)

in de klas

17.

Wat is de pv: Ik ben gestruikeld over het snoer van mijn laptop.

a)

het snoer

b)

ik

c)

ben

d)

ben gestruikeld

18.

Wat is de pv: Waarom gaat mijn schoenveter steeds los?

a)

Waarom

b)

schoenveter

c)

gaat

d)

gaat los

19.

Wat is de pv: Daisy gaat iets aardigs zeggen.

a)

Daisy

b)

zeggen

c)

aardigs

d)

gaat

20.

Wat is de pv: In deze nieuwe zaak verkopen ze glitterlijm en kneedgum.

a)

glitterlijm

b)

verkopen

c)

deze

d)

kneedgum

21.

Jantje loopt op straat.

a)

Jantje

b)

Loopt

c)

Op straat

d)

Geen idee

22.

De hond van de buren blaft de hele dag.

a)

De hond van de buren

b)

De hele dag

c)

Blaft

d)

Geen diee

23.

De lange jongen heeft gisteren het kleine meisje gekust.

a)

De lange jongen

b)

Gisteren

c)

Het kleine meisje

d)

heeft

e)

Gekust

24.

Waarom loopt de buurjongen altijd buiten in zijn korte broek?

a)

Waarom

b)

Buiten

c)

De buurjongen

d)

Loopt

e)

In zijn korte broek

25.

De persoonsvorm staat in een vraagzin meestal vooraan.

a)

Staat

b)

De persoonsvorm

c)

In een vraagzin

d)

meestal

e)

Vooraan

26.

In deze klas zitten best wel een paar bijzondere kinderen.

a)

In deze klas

b)

Best wel een paar

c)

Bijzondere kinderen

d)

Zitten

27.

Het is niet lastig om de persoonsvorm te vinden.

a)

Niet lastig

b)

De persoonsvorm

c)

te vinden

d)

Is

28.

Je moet altijd goed je best doen in de les bij mevrouw Verhaar.

a)

Je

b)

Je best

c)

Doen

d)

Moet

e)

Bij mevrouw Verhaar

29.

In de winter vind ik het veel te koud buiten.

a)

In de winter

b)

Vind

c)

Ik

d)

Veel te koud

30.

Deze toets heeft maar tien vragen.

a)

Heeft

b)

Deze toets

c)

Maar tien vragen

31.

tt en vt zijn afkortingen voor

a)

totdat en voordat

b)

tegenwoordige tijd en verleden tijd

32.

Als je de tijd in een zin verandert, verander je......

a)

het onderwerp

b)

de persoonsvorm

33.

Met de tijdproef ....

a)

zet je de persoonsvorm in een andere tijd.

b)

maak je meervoud.

34.
  1. Emma installeert een app op haar telefoon.
  2. Emma installeerde een nieuwe app op haar telefoon.


Kies het antwoord dat klopt:

a)

Zin 1 en 2 zijn allebei tegenwoordige tijd.

b)

Zin 1 en 2 zijn allebei verleden tijd.

c)

Zin 1 is tegenwoordige tijd, zin 2 is verleden tijd.

d)

Zin 1 is verleden tijd, zin 2 is tegenwoordige tijd.

35.

Zin: Mijn vader luistert naar muziek.

Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

Mijn vader luistert niet naar muziek.

b)

Mijn vader luisterde naar muziek.

c)

Mijn vader luistert naar muziek.

36.

Zin: De hond gaf een poot.


Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

De kat gaf een poot.

b)

De hond gaf pootjes.

c)

De hond geeft een poot.

37.

Zin: De fietsen staan in de stalling.


Als je de tijdproef doet, krijg je:

a)

De fietsen stonden in de stalling.

b)

De fiets staat in de stalling.

c)

De fiets is weg.

38.

Zin: Ik vind deze vraag moeilijk.


De persoonsvorm in deze zin is:

a)

Ik

b)

vind

c)

deze vraag

d)

moeilijk

39.

Zin: Onze school wordt verbouwd.


In deze zin is de persoonsvorm:

a)

Onze school

b)

wordt

c)

verbouwd

40.

Zin: Mijn broer heeft alles opgegeten.


In deze zin is de persoonsvorm:

a)

Mijn broer

b)

heeft

c)

alles

d)

opgegeten

41.

Wat is het onderwerp van de zin?

Deze film wordt deze week herhaald.

a)

Deze film

b)

wordt

c)

deze week

d)

herhaald

42.

Zoek het onderwerp in de zin:

Die conclusie lijkt mij niet juist.

a)

Die conclusie

b)

lijkt

c)

mij

d)

niet juist.

43.

Zoek het onderwerp in de zin:

Yasar gaat vandaag naar het strand.

a)

Yasar

b)

gaat

c)

vandaag

d)

naar het strand.

44.

Zoek de persoonsvorm in de zin:

Ik heb geen problemen met betaald parkeren.

a)

Ik

b)

heb

c)

geen problemen

d)

met betaald parkeren.

45.

Zoek het onderwerp in de zin:

De walvis zwemt in de zee.

a)

De walvis

b)

zwemt

c)

in

d)

de zee.

46.

Zoekt de persoonsvorm in de zin:

Noortje geeft mij een bos bloemen.

a)

Noortje

b)

geeft

c)

mij

d)

een bos bloemen.

47.

Wat is het wwg: Hij heeft de hele avond televisie gekeken.

a)

heeft televisie gekeken

b)

heeft gekeken

c)

televisie gekeken

48.

Wat is het wwg: Volgens de buren staat het geluid wel erg hard.

a)

staat

b)

het geluid

c)

staat erg hard

49.

Wat is het wwg: Hem vroegen ze niets.

a)

niets

b)

vroegen

c)

vroegen niets

50.

Wat is het wwg: Durf jij daar te blijven staan?

a)

durf blijven staan

b)

durf te staan

c)

durf te blijven staan

51.

Wat is het wwg: Hij had daar moeten staan.

a)

had

b)

had moeten staan

c)

had daar moeten

52.

Wat is het wwg: Hij at heel vaak zijn boterhammen niet op.

a)

at vaak

b)

at

c)

at op

53.

Wat is het wwg: Hij heeft de hele avond televisie gekeken.

a)

heeft televisie gekeken

b)

heeft gekeken

c)

televisie gekeken

54.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

55.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

56.

Wat is de pv: Hebben jullie veel pepernoten gegeten?

a)

Hebben

b)

jullie

c)

pepernoten

d)

gegeten

57.

Wat is de pv: Ze hebben de fiets niet binnen gezet

a)

hebben

b)

gezet

c)

Ze

d)

de fiets

58.

Wat is de pv: Wie brengt de post naar de brievenbus?

a)

Wie

b)

brengt

c)

de post

d)

de brievenbus

59.

Wat is het wg in de volgende zin?

De mannen heetten Jan en Olaf.

a)

mannen

b)

heetten

c)

mannen heetten

d)

mannen Olaf en Jan

60.

Wat is het wg in de volgende zin?

De dames zien ons wel zitten.

a)

zien

b)

zitten

c)

zien zitten

d)

zien ons wel zitten

61.

Wat is het wg van de volgende zin?

Gisteren waren we pas om 11 uur aangekleed.

a)

gisteren

b)

we

c)

waren

d)

waren aangekleed

62.

Wat is het wg van de volgende zin?

De opa's lazen hun krantje op een bankje in de zon.

a)

lazen

b)

de opa's

c)

lazen op

d)

lazen in

63.

Wat is het wg in de volgende zin?

Gerben heeft naar ons zitten kijken.

a)

heeft

b)

zitten

c)

kijken

d)

heeft zitten kijken

64.

Wat is het wg in deze zin?

De Mini heeft weer eens pech onderweg gekregen.

a)

heeft

b)

Mini

c)

heeft gekregen

d)

heeft weer eens gekregen

65.

Wat is het wg in deze zin?

De octopus heeft op een middag al zijn poten zitten tellen.

a)

heeft

b)

heeft tellen

c)

heeft zitten tellen

d)

heeft poten zitten tellen

66.

Wat is het wg in deze zin?

Klaas wilde zijn zusje beschermen.

a)

Klaas

b)

Klaas wilde

c)

wilde

d)

wilde beschermen

67.

Wat is het wg van deze zin?

De Mercedes racet over de straten van Mallorca.

a)

racet

b)

racet over

c)

racet over de

d)

racet straten

68.

Wat is het wg in deze zin?

Ik schreef de zin niet goed op.

a)

schreef

b)

schreef op

c)

schreef niet op

d)

schreef de zin

69.

Wat is het wg van deze zin?

Ik keek 'Wie is de Mol' bij mijn oma.

a)

keek

b)

keek is

c)

keek mijn oma

d)

keek bij

70.

Wat is het wg in deze zin.

Klas 1A heeft alle opdrachten in het boek nagekeken.

a)

heeft

b)

heeft nagekeken

c)

heeft gekeken

d)

heeft opdrachten nagekeken

71.

Wat is het wg van deze zin?

De dokter probeerde een nieuw medicijn uit op zijn patiënt.

a)

de dokter

b)

probeerde

c)

probeerde uit

d)

probeerde op

72.

Wat is het wg van deze zin?

Ik ga een smiley op mijn voorhoofd tekenen.

a)

ga

b)

ga tekenen

c)

ga op tekenen

d)

ga mijn voorhoofd tekenen

73.

Wat is het wg van deze zin?

Op een onbewoond eiland zijn de gestrande reizigers blijven wonen.

a)

eiland

b)

zijn

c)

zijn wonen

d)

zijn blijven wonen