wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverzorging 3 volledig

Total questions: 42

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Mijn vader ... (verdienen, t.t.) meer dan €2000,- per maand.

(a)  

2.

Gisteren heeft mijn moeder mij ... (overhoren, v.d.)

a)

overgehoord

b)

overhoord

c)

overhoort

d)

overhoren

3.

Mijn docent ... (onthouden, t.t.) de namen van alle kinderen erg goed.

a)

onthoud

b)

onthield

c)

onthoudt

d)

onthout

4.

Acey en Djona ... (wandelen, t.t.) in de pauze naar de Aldi voor een stokbrood.

a)

wandelen

b)

wandelt

c)

wandel

d)

wandelden

5.

... (worden, t.t.) jij morgen veertien jaar?

a)

Wordt

b)

Word

c)

word

d)

Werd

6.

Het haardvuur ... (branden, t.t.) al urenlang.

a)

brandde

b)

brant

c)

brandt

d)

brand

7.

Taner ... (vertellen, t.t.) altijd de leukste verhalen.

(a)  

8.

Het vliegtuig ... (landen, t.t.) om half zeven 's avonds.

(a)  

9.

Agda ... (raden, v.t.) in één keer het goede antwoord.

a)

raden

b)

radde

c)

raadde

d)

rade

10.

Ashley ... (pesten, v.t.) haar broertje de hele dag.

a)

peste

b)

pestte

c)

pesten

d)

pestten

11.

Jake en Noufel ... (verraden, v.t.) elkaar niet nadat ze moesten nablijven.

a)

verraden

b)

verraadden

c)

verraatten

d)

verraadde

12.

Lenthe en Jailey ... (herhalen, v.t.) alle begrippen nog eens voor de toets.

a)

herhalen

b)

herhaalde

c)

herhaalte

d)

herhaalden

13.

Adam ... (handelen, v.t.) in namaakkleding.

a)

handelt

b)

handeld

c)

handelden

d)

handelde

14.

De luchtballon … (zweven, v.t.) uren boven ons huis

(a)  

15.

Tijdens de voetbal ... (kneuzen, v.t.) Xiano zijn duim.

(a)  

16.

Meneer Blom heeft ... (lesgeven, v.d.) over spelling en grammatica.

(a)  

17.

Kevin, Chris, Aye en Illya hebben hoger dan een acht ... (halen, v.d.) voor hun toets.

(a)  

18.

Voor haar verjaardag heeft Fleur sieraden ... (krijgen, v.d.).

a)

gekrijgt

b)

krijgen

c)

gekregen

d)

gekrijgen

19.

Jamie heeft Kaylee ... (overhalen, v.d.) om mee te gaan naar de Aldi.

(a)  

20.

Walter en Gijs hebben in de pauze een broodje ... (kopen, v.d.).

(a)  

21.

Mohamed heeft vandaag extra lang ... (slapen, v.d.)

(a)  

22.

Selecteer de stellingen die waar zijn.

a)

De persoonsvorm is altijd een werkwoord

b)

De persoonsvorm is altijd onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.

c)

De persoonsvorm kan uit meerdere woorden bestaan

d)

De persoonsvorm is altijd een zelfstandig naamwoord

23.

Selecteer de stellingen die waar zijn.

a)

Het onderwerp kan uit meerdere woorden bestaan

b)

Het onderwerp geeft antwoord op de vraag: wie/wat + wwg

c)

Het onderwerp is altijd een mens of een naam van een mens.

d)

Het onderwerp kan nooit uit meerdere woorden bestaan.

24.

Wat is het onderwerp in de zin: "Rojda kijkt mee op de computer van meneer Blom."?

a)

De computer

b)

Rojda

c)

meneer Blom

d)

kijkt mee

25.

Wat klopt over de zin: "Na de les van meneer Blom hebben Jack en Jim hun stoel aangeschoven."?

a)

meneer Blom is het onderwerp

b)

Jack en Jim is het onderwerp

c)

hebben aangeschoven is het wwg

d)

hebben is de pv

26.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin: "Mijn moeder heeft een ijsje voor mij gekocht."?

a)

Mijn moeder

b)

een ijsje

c)

heeft

d)

heeft, gekocht

27.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: "Q-Chen heeft Thuraya al een tijdje niet gezien."?

a)

Q-Chen

b)

heeft, gezien

c)

heeft

d)

gezien

28.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin: "Fatima heeft Merve gisteren nog gezien."?

a)

Merve

b)

Fatima

c)

heeft, gezien

d)

gisteren

29.

Wat is het onderwerp in de zin: "De rode trui van mijn broer is al een tijdje kwijt."?

a)

De rode trui

b)

mijn broer

c)

De rode trui van mijn broer

d)

is

30.

Benoem de persoonsvorm in de zin: "Mijn vader hield altijd erg van wandelen en fietsen."

(a)  

31.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin: "Rion en Ömer hebben twee zakken chips gekocht in de winkel."?

a)

Rion en Ömer

b)

hebben, gekocht

c)

twee zakken chips

d)

in de winkel

32.

Selecteer zwakke werkwoorden.

a)

fietsen

b)

lopen

c)

maken

d)

stoppen

33.

Selecteer sterke werkwoorden.

a)

knippen

b)

wandelen

c)

hebben

d)

zwemmen

34.

Benoem bijvoeglijk naamwoorden in de zin: "De jongen haalde zijn kleine broertje op, met zijn rode fiets.".

a)

jongen, broertje, fiets

b)

kleine, rode

c)

haalde op

d)

jongen, broertje

35.

Selecteer zelfstandige naamwoorden in de zin: "Lisa gaat uit eten in haar favoriete restaurant."

a)

Lisa

b)

gaat

c)

favoriete

d)

restaurant

36.

Selecteer zelfstandige naamwoorden.

a)

grote

b)

Justin

c)

paddenstoel

d)

klaslokaal

37.

Selecteer situaties waarin je een hoofdletter gebruikt.

a)

Aan het begin van de zin

b)

Bij namen

c)

Bij talen

d)

Bij maanden

38.

Kies het bijvoeglijke naamwoord in de zin: "Fries is erkend als een officiële taal".

a)

Fries

b)

taal

c)

is, erkend

d)

officiële

39.

Wat is het onderwerp in de zin: "De slaapkamer van mijn broertje wordt volgende week verbouwd"?

(a)  

40.

Wat klopt over de zin: "Katja heeft een nieuwe fiets gekregen."?

a)

Katja is het onderwerp

b)

heeft, gekregen is het werkwoordelijk gezegde

c)

nieuwe fiets is het lijdend voorwerp

d)

heeft is de persoonsvorm

41.

In de hoek van het lokaal ... (staan, v.t.) een boekenkast.

(a)  

42.

Alicia ... (bedenkt, v.t.) een goede oplossing voor het probleem.

(a)