NEW
Font size
Worksheetskosten en aanbod
Total questions: 10
Worksheet time: 7mins
Er zijn 4 productiefactoren. Wat is geen productiefactor?
Kapitaal
Arbeid
Machines
Natuur
Ondernemerschap
In de volgende afbeelding zien we een functie die het verband tussen inkomen (I) en vraag (Qv) naar een product beschrijft. Om welk type goed gaat het hier?
Een luxe goed.
Een inferieur goed.
Een noodzakelijk goed.
Een inelastisch goed.
Douwe heeft net gevoetbald en heeft ontzettend dorst. Hij heeft 4 euro over voor een flesje AA. De prijs in de kantine van een flesje AA is 1,50 euro. Het individuele consumentensurplus van Douwe is
2,50
Hij heeft geen individueel consumentensurplus
1,50
4 euro
TK = 40q + 100
Als er 10 producten verkocht worden zijn de constante kosten
100
500
400
10
Wat hoort op de plekken A t/m C te staan?
A = Proportioneel, B = degressief, C = progressief
A = Degressief, B = Progressief, C = Proportioneel
A = Progressief, B = Proportioneel, C = Degressief
De constante kosten bedragen in dit geval
0 euro
4 euro
4.000 euro
14.000 euro
Het maken van auto's is kapitaalintensief.
juist
onjuist
Als een extra product hogere marginale kosten met zich meebrengt dan de GTK, zullen de GTK stijgen/dalen.
stijgen
dalen
