wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en vertering 2hv

Total questions: 51

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
2.

Wat zijn beschermende stoffen?

a)

vitaminen en eiwitten

b)

vitaminen en vetten

c)

vitaminen en mineralen

d)

vitaminen en koolhydraten

3.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

4.

Koolhydraten en vetten zijn........................

a)

bouwstoffen

b)

beschermende stoffen

c)

reservestoffen

d)

brandstoffen

5.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

6.
Juist of onjuist? Een van de adviezen voor gezonde voeding is: 'eet minder onverzadigd vet'. 
a)
Juist
b)
Onjuist, minder verzadigd vet
7.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
8.

Vitaminen dienen als reservestoffen.

a)

waar

b)

niet waar

9.

Waarvoor heeft je lichaam bouwstoffen nodig?

a)

voor het leveren van energie

b)

voor groei, ontwikkeling en herstel

c)

voor het beschermen van het lichaam tegen ziekten

d)

voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur

10.

De functies van eiwitten zijn

a)

Bouwstoffen en brandstoffen

b)

Bouwstoffen, brandstoffen en reservestoffen

11.
Reservestoffen worden opgeslagen in bepaalde delen van je lichaam
a)
Juist
b)
Onjuist
12.

Zitten in dierlijke voedingsmiddelen voedingsvezels?

a)

Ja

b)

Nee

13.

Zijn vitaminen voedingsstoffen?

a)

ja

b)

nee

14.

Kan je lichaam reservestoffen op een later moment gebruiken?

a)

ja

b)

nee

15.

Kunnen koolhydraten en vetten dienen als reservestoffen?

a)

ja

b)

nee

16.

Dit wordt gemaakt in de lever en niet in de galblaas

a)

speeksel

b)

alvleessap

c)

gal

d)

maagsap

17.

Dit sap maakt bacteriën dood

a)

alvleessap

b)

maagsap

c)

gal

d)

darmsap

18.

Nummer 2 is de

a)

maag

b)

lever

c)

dikke darm

d)

slokdarm

19.

Nummer 7 is de

a)

maag

b)

dunne darm

c)

lever

d)

alvleesklier

20.

nummer 9 is de

a)

slokdarn

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

21.

Nummer 11 is de

a)

slokdarm

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

22.

verteerde voedingsstoffen worden opgenomen in het bloed in nummer

a)

2

b)

3

c)

11

d)

9

23.

de galblaas is nummer

a)

7

b)

8

c)

6

d)

10

24.

Deze voedingsstoffen moeten wel verteerd worden

a)

mineralen water en vet

b)

eiwitten vet en vitamines

c)

eiwitten vet en koolhydraten

d)

koolhydraten eiwitten en water

25.

De kneedbewegingen van je darm zijn de (goed lezen!)

a)

periklastische bewegingen

b)

perilastische bewegingen

c)

peristaltische bewegingen

d)

sperliatische bewegingen

26.

De wand van de dunne darm bestaat uit darmvlokken en

a)

darmlippen

b)

darmplooien

c)

darmvliezen

d)

darmpjes

27.

Het laatste stukje darm

a)

slokdarm

b)

dunne darm

c)

endeldarm

d)

dikke darm

28.

Deze voedingsstoffen hoeven niet verteerd te worden

a)

eiwitten, vetten en koolhydraten

b)

glucose, water, vetten en koolhydraten

c)

glucose, water, mineralen en vitamines

d)

eiwitten, vetten, mineralen en vitamines

29.

Wat zijn enzymen?

a)


een eiwit dat een chemische reactie laat plaatsvinden. Snelle afbraak. Bijvoorbeeld enzymen in het speeksel zetten grote koolhydraten om in kleinere.

b)

veteringssappen

c)

ziekteverwekkers

d)

zij zorgen voor een scheikundige reactie in het lichaam en zorgen voor een langzame afbraak van voedingsstoffen

30.

Is een voedingsstof een onderdeel van een voedingsmiddel?

a)

ja

b)

nee

31.

Is 1 kJ evenveel als 10 000 joule?

a)

ja

b)

nee

32.
Alle producten die je eet of drinkt noem je
a)
Voedingsproducten
b)
Voedsel
c)
Voedingsmiddelen
33.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
34.

In elk voedingsmiddel zitten...

a)

mineralen

b)

voedongsvezels

c)

Voedingsstoffen

d)

vetten

35.

Welke zin over voedingsvezels is juist

a)

voedingsvezels kunnen niet worden verteerd

b)

Voedingsvezels zorgen voor energie

c)

Voedingsvezels zorgen voor bouwstoffen

d)

Voedingsvezels is een voedingstof

36.

Deze voedingsstoffen zijn nodig voor de groei en ontwikkeling van je lichaam

a)

beschermende stoffen

b)

brandstoffen

c)

bouwstoffen

d)

reservestoffen

37.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Alleseters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

38.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Vleeseters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

39.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Planteneters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

40.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van vocht is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

41.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van vitaminen is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

42.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van vetten is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

43.

Voedingsstoffen hebben verschillende taken in het lichaam. De hoofdtaak van koolhydraten is ..

a)

brandstof

b)

reservestof

c)

bouwstof

d)

beschermende stof

44.

Als je je eten wilt doorslikken, werken de volgende 2 organen samen...

a)

strottenhoofd en keelholte

b)

huig en strottenhoofd

c)

strottenklepje en huig

d)

keelholte en mondholte

45.

Je ziet hier een afbeelding van een kies. Wat is nummer 3?

a)

tandholte

b)

tandbeen

c)

glazuur

d)

cement

46.

Je ziet hier een afbeelding van een kies. Wat is nummer 4?

a)

tandholte

b)

tandbeen

c)

glazuur

d)

cement

47.

Een goed gebit is belangrijk want ...

a)

zo kan je het eten goed proeven, is goed voor de spijsvertering

b)

zo kan je het eten goed vermalen, is goed voor de spijsvertering

c)

zo kan je het eten goed vermalen en vermengen met speeksel, is goed voor de spijsvertering

48.

Voedingsstoffen zijn...

a)

eten en drinken

b)

belangrijke bestanddelen van voedingsmiddelen

c)

je dagelijks patroon van eten en drinken

49.
Waar gaat deze afbeelding over?
a)
peristaltische beweging
b)
opnemen van voedingsstoffen
c)
darmbacteriën
d)
uitscheiden
50.

Wat is nummer 22?

a)

blinde darm

b)

endeldarm

c)

appendix (of wormvormig aanhangsel)

d)

twaalfvingerige darm

51.

Waar ligt de twaalfvingerige darm?

a)

nummer 5

b)

nummer 6

c)

nummer 7

d)

nummer 8