wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1ve Bewegen H3 (boek H4)

Total questions: 40

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Een groep spiervezels noem je?

a)

Spiervezelbundel

b)

Spierbundel

c)

Pezen

d)

Vlies

2.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
3.

Wat is de werking van een spier?

a)

Een spier trekt samen, hierdoor wordt de spier korter. De botten die aan de spieren vast zitten, worden naar elkaar toegetrokken.

b)

Een spier trekt samen doordat er zuurstof bij de spier komt, het zuurstof zorgt voor de samentrekking van deze spieren.

c)

Een spier rekt uit, hierdoor wordt de spier langer. De botten die aan de spieren vast zitten, worden van elkaar weggeduwd.

4.

Wat zijn de eigenschappen van een pees?

a)

taai en elastisch

b)

hard en niet buigzaam

c)

taai en niet elastisch

d)

zacht en soepel

e)

zacht en buigzaam

5.

In de afbeelding zie je een...

a)

Gewricht

b)

Kraakbeenverbinding

c)

Vergroeiing

d)

Naadverbinding

6.

Welk type gewricht zie je hier?

a)

Scharniergewricht

b)

Kogelgewricht

c)

Rolgewricht

7.

Benoem onderdeel 13

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Opperarmbeen

d)

Dijbeen

8.

Benoem onderdeel 5

a)

Sleutelbeen

b)

Schouderblad

c)

Borstbeen

d)

Ribbenkast

9.

Tekort aan deze stof zorgt ervoor dat de botten van oude mensen breekbaarder worden

a)

Lijmstof

b)

Kalkstof

10.

Deze stof zorgt voor de stevigheid van botten.

a)

lijmstof

b)

kalk

11.

Deze stof zorgt voor de buigzaamheid van botten.

a)

lijmstof

b)

kalk

12.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
13.

Welk bot is het grootst?

a)

Dijbeen

b)

Rib

c)

Ellepijp

d)

Kuitbeen

14.

Wat is de goede volgorde van klein naar groot?

a)

spiervezel - spier - spierbundel

b)

spier - spierbundel - spiervezel

c)

spiervezel - spierbundel - spier

d)

spierbundel - spier - spiervezel

15.

Wat is waar over een verstuiking en een ontwrichting?

a)

bij een verstuiking zie je een blauwe plek

b)

bij een verstuiking is er een bot gebroken

c)

bij een ontwrichting is een bot uit de kom geschoten

d)

bij een ontwrichting zit er een scheur in het bot

16.

Antagonisten zijn

a)

spieren die gescheurd zijn en niet meer werken

b)

spieren die tegenovergestelde beweging mogelijk maken

c)

pezen die losgeraakt zijn van het bot

d)

bewegingen die de slokdarm maakt om eten naar de maag te vervoeren

17.

De botten in je vingertopjes noem je ...

a)

Topbotjes

b)

Vingerkootjes

c)

Handwortelbeentjes

d)

Middenhandsbeentjes

18.

Uit welke onderdelen bestaat de borstkas?

a)

Ribben, borstbeen en borstwervels

b)

Ribben, borstbeen en middenrif

c)

Borstwervels, halswervels en ribben

d)

Sleutelbeen, schouderblad en ribben

19.

De dubbele S-vorm van je wervelkolom zorgt voor ...?

a)

Stevigheid

b)

Het opvangen van schokken

c)

Snellere beweging

20.

Wat geeft nummer 2 aan?

a)

Pees

b)

Spier

c)

Spiervezel

d)

Spierbundel

21.

Uit welke 3 onderdelen bestaat het skelet van de mens?

a)

Hoofd, romp en benen

b)

Hoofd, romp en armen

c)

Hoofd, romp en ledematen

d)

Hoofd, armen en benen

22.

In het groen zijn de ..... te zien.

a)

Voetwortelbeentjes

b)

Teenkootjes

c)

Middenvoetsbeentjes

23.

Welk is geen functie van het skelet

a)

Stevigheid

b)

Beweging

c)

Bescherming

d)

Voelen

e)

Vorm

24.

Wat valt allemaal onder je ledematen?

a)

Armen

b)

Hoofd

c)

Benen

d)

Schouders

e)

Buik

25.

Wat voor een gewricht is hier te zien?

a)

Scharniergewricht

b)

Rolgewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

26.

Welk gewricht is hier te zien?

a)

Kogelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Schaniergewricht

27.

Welk gewricht is hier te zien?

a)

Zadelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Scharniergewricht

d)

Vlakgewricht

28.

van boven naar beneden zie je hier een

a)

Zadel-, scharnier- en rolgewricht

b)

Scharnier, zadel- en kogelgewricht

c)

Scharnier-, rol- en zadelgewricht

29.

beenderen die rood beenmerg bevatten en vooral voorkomen in hoofd en romp

a)

kraakbeenderen

b)

platte beenderen

c)

pijpbeenderen

d)

lijmstofbeenderen

30.

is stevig en goed buigzaam, komt bijvoorbeeld voor in de oorschelp

a)

merg

b)

kraakbeenweefsel

c)

beenweefsel

d)

kalkzouten

31.

Welk soort spier zie je hier?

a)

glad spierweefsel

b)

dwarsgestreept spierweefsel

c)

hartspier

32.

Welke term verwijst naar spieren die tegenovergestelde bewegingen veroorzaken in een gewricht en samenwerken om de beweging uit te kunnen voeren?

(a)  

33.

Hoe noem je de spieren van inwendige organen, zoals het darmkanaal en de bloedvaten

(a)  

34.

Vul het juiste begrip in van deze uitleg:
deel van de skeletspier dat uit een groot aantal spiervezels bestaat

(a)  

35.

onderzoekstechniek waarbij met geluidsgolven een beeld van weefsels en organen wordt gemaakt

a)

Echografie

b)

MRI-scan

c)

Röntgenfoto

36.

afbeelding van deel van het lichaam dat onderzocht is met behulp van röntgenstraling

a)

Echografie

b)

MRI-scan

c)

Röntgenfoto

37.


onderzoekstechniek waarbij scan van weefsels en organen wordt gemaakt door een sterk magneetveld en radiogolven

a)

Echografie

b)

MRI-scan

c)

Röntgenfoto

38.

het vetrijke weefsel in het rechte gedeelte van een pijpbeen

a)

Rode beenmerg

b)

Gele beenmerg

c)

Kalkzouten

d)

Collageen

39.

weefsel in platte botten en aan de uiteinden van pijpbeenderen, waarin rode bloedcellen worden gemaakt

a)

Gele beenmerg

b)

Beenmerg

c)

Rode beenmerg

d)

Collageen

40.

Type steunweefsel dat andere weefsels en organen beschermt en stevigheid geeft

(a)