wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Biologie voor jou Thema 6 Voortplanting bij planten en dieren

Total questions: 68

Worksheet time: 3hrs 24mins

Name
Class
Date
1.

Een tomaat heeft veel zaden. Is bij de vorming van een tomaat slechts één stuifmeelkorrel betrokken geweest?

a)

goed

b)

fout

2.

Is bij de vorming van een tomaat slechts één vruchtbeginsel betrokken geweest?

a)

goed

b)

fout

3.

Ontwikkelt zich uit een bevruchte eicel een zaad?

a)

goed

b)

fout

4.

Kijk naar de afbeelding. Kunnen op de plaatsen 1 en 2 zich stuifmeelkorrels bevinden?

a)

goed

b)

fout

5.

Kijk naar de afbeelding. Kan op plaats 3 bevruchting plaatsvinden?

a)

goed

b)

fout

6.

Maken Insectenbloemen meer stuifmeelkorrels dan windbloemen?

a)

goed

b)

fout

7.

Kijk naar de afbeelding. Is deel 3 het kelkblad?

a)

goed

b)

fout

8.

Is de functie van deel 3 het beschermen van de bloem in de knop?

a)

goed

b)

fout

9.

Kijk naar de afbeelding. Is deel 1 de stamper?

a)

goed

b)

fout

10.

Kijk naar de afbeelding. Is deel 4 de helmdraad?

a)

goed

b)

fout

11.

Bij geslachtelijke voortplanting hebben nakomelingen precies dezelfde erfelijke eigenschappen als de ouders.

a)

goed

b)

fout

12.

De chromosomen in een onbevruchte eicel zijn afkomstig van twee organismen.

a)

goed

b)

fout

13.

Deel Q is ontstaan uit de bloemsteel.

a)

goed

b)

fout

14.

Vissen planten zich voort door geslachtelijke voortplanting met inwendige bevruchting.

a)

goed

b)

fout

15.

In afbeelding 12 zie je een sleutelbloem. De celkernen van de kroonbladeren bevatten ieder 22 chromosomen.

De kern van een stuifmeelkorrel van de sleutelbloem heeft 11 chromosomen.

a)

goed

b)

fout

16.

Wat is de functie van kelkbladeren?

a)

Insecten lokken

b)

Beschermen tegen uitdroging en kou

17.

Wat is de functie van de gekleurde kroonbladeren?

a)

Beschermen

b)

Insecten lokken

18.

Wat zijn de vrouwlijke voortplantingsorganen van planten ?

a)

Meeldraden

b)

Stampers

19.

De mannelijke voortplantingsorganen van planten zijn?

a)

Meeldraden

b)

Stampers

20.

Wat wordt aangewezen met nummer 1?

a)

kelkblad

b)

kroonblad

c)

stamper

d)

meeldraad

21.

Wat wordt aangewezen met nummer 2?

a)

stempel

b)

stijl

c)

vruchtbeginsel

22.

Waar vind er bestuiving plaats?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 3

23.

Wat wordt aangewezen met nummer 4?

a)

stempel

b)

stijl

c)

vruchtbeginsel

24.

Wat is de functie van een bloem?

a)

Voortplanting

b)

Groeien

c)

Water opnemen

25.

Wat mist op dit plaatje?

a)

Een stamper

b)

Meeldraden

c)

Kroonbladeren

26.

In de afbeelding is een bloempje van rogge getekend.

Kies het juiste woord.

De bloemen van rogge zijn windbloemen en bevatten wel of geen nectar?

a)

wel

b)

geen

27.

Bij welk type bloemen steken de helmknoppen en stempels vaak buiten de bloem uit?

a)

Bij insectenbloemen

b)

Bij windbloemen

28.

Op welke manier verspreidt deze plant zijn zaden?

a)

Door de wind

b)

Door de plant zelf

c)

Door dieren

d)

Door het water

29.

Dit is een..

a)

Windbloem

b)

Insectenbloem

30.

Deze kleine bloemetjes zijn ...

a)

insectenbloemen

b)

windbloemen

31.

Dit is een ...

a)

insectenbloem

b)

windbloem

32.

Deze bloemen hebben een opvallende geur

a)

insectenbloemen

b)

windbloemen

33.

Wat zie je op dit plaatje?

a)

Bestuiving

b)

Bevruchting

34.

In de afbeelding is met onderdeel 1 een deel van de sperzieboon aangegeven. Welk deel van de bloem was dit?

a)

Dit waren de kroonbladeren

b)

Dit waren de meeldraden

c)

Dit was de stamper

d)

Dit waren de kelkbladeren

35.

Pijl nummer 2 is ...

a)

zelfbestuiving

b)

kruisbestuiving

36.

Pijl nummer 1 is ...

a)

zelfbestuiving

b)

kruisbestuiving

37.

Een appel groeit altijd uit het (a)   van de bloem

(welk onderdeel? TIP: De eerste letter is een V)

38.

Vul aan: Bij bestuiving brengt de bij ... naar de stempel van de stamper

(Tip: Het begint met de letter S)

(a)  

39.

Vanaf welk moment kun je erfelijke eigenschappen gaan zien bij geboorte?

a)

bij de bevruchting

b)

vanaf de geboorte

c)

als het dier is uitgegroeid

40.

Een mannelijke plant heeft 16 chromosomen, hoeveel chromosomen heeft een stuifmeelkorrel?

a)

8

b)

16

c)

32

41.

De bevruchting bij kippen is:

a)

uitwendig

b)

inwendig

42.

Uitwendige bevruchting vindt plaats in:

a)

het water

b)

de lucht

c)

onder de grond

43.

Een bevruchte eicel bij een dier groeit uit tot

a)

een zaadje

b)

een organisme

44.

Wat is geen geslachtscel?

a)

eicel

b)

huidcel

c)

zaadcel

d)

stuifmeelkorrel

45.

Bij welk dier vindt uitwendige bevruchting plaats

a)

zalm

b)

kraai

c)

berner senner

d)

zwaan

46.

Huidcellen en levercellen bevatten dezelfde chromosomen.

a)

Waar

b)

Niet waar

47.

Mannelijke geslachtcellen bij dieren noemen we stuifmeelkorrels

a)

Waar

b)

Nietwaar

48.

Het stekken van planten noemen we geslachtelijke voortplanting.

a)

Waar

b)

Niet waar

49.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

geen voortplanting

50.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

51.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

52.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

53.

Dit is een voorbeeld van

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

Ongeslachtelijke voortplanting

c)

Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting

d)

Geen voortplanting

54.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

55.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

56.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

57.

Dit is een

a)

windbloem

b)

insectenbloem

c)

geen bloem

d)

kabloem

58.

Nummer 1 is een

a)

kelkblad

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

59.

Nummer 8 is een

a)

kelkblad

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

60.

Nummer 10 is een

a)

kelkblad

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

61.

Nummer 11 is een

a)

kelkblad

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

62.

Nummer 2 is een

a)

helmknop

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

kroonblad

63.

Nummer is 7 is het

a)

helmknop

b)

meeldraad

c)

stamper

d)

vruchtbeginsel

64.

Je kunt windbloemen herkennen aan

a)

korte meeldraden

b)

gekleurde kroonbladeren

c)

een lekkere geur

d)

lange meeldraden

65.

Let op, meerdere antwoorden goed! Je kunt insectbloemen herkennen aan,

a)

korte meeldraden

b)

gekleurde kroonbladeren

c)

een lekkere geur

d)

lange meeldraden

66.

Let op, drie antwoorden goed! Voor de fotosynthese heb je nodig

a)

Water

b)

glucose

c)

koolstofdioxide

d)

zonlicht

67.

Let op, meerdere antwoorden goed! Bij de fotosynthese wordt gemaakt

a)

Water

b)

glucose

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof

68.

Let op, meerdere antwoorden goed! Voor de verbranding zijn nodig

a)

Water

b)

glucose

c)

koolstofdioxide

d)

zuurstof