wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tijd Snelheid verzameling

Total questions: 127

Worksheet time: 5hrs 52mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het verschil tussen een seconde en een minuut?

a)

Een seconde is even lang als een minuut.

b)

Een seconde is een andere naam voor een minuut.

c)

Een seconde is korter dan een minuut.

d)

Een seconde is langer dan een minuut.

2.

Hoeveel seconden zitten er in een uur?

a)

60

b)

24

c)

1000

d)

3600

3.

Hoeveel minuten zitten er in een dag?

a)

24

b)

1440

c)

60

d)

1000

4.

Wat is de gemiddelde tijdsduur van een lesuur op school?

a)

20 minuten

b)

60 minuten

c)

30 minuten

d)

45 minuten

5.

Hoeveel dagen zitten er in een jaar?

a)

12

b)

100

c)

365

d)

500

6.

Hoeveel weken zitten er in een maand?

a)

2

b)

3

c)

5

d)

4

7.

Hoeveel maanden zitten er in een jaar?

a)

6

b)

24

c)

12

d)

10

8.

Wat is de tijdsduur van een normale nachtrust voor volwassenen?

a)

6 tot 8 uur

b)

3 tot 5 uur

c)

7 tot 9 uur

d)

10 tot 12 uur

9.

Hoeveel jaar zitten er in een decennium?

a)

10

b)

20

c)

100

d)

5

10.

Hoeveel decennia zitten er in een eeuw?

a)

5

b)

20

c)

10

d)

100

11.
3,5 uur is gelijk aan:
a)
3 uur en 50 minuten
b)
3 uur en 5 seconden
c)
3 uur en 30 minuten
d)
230 minuten
12.
Een zwembad is 25 m lang, 16 m breed en 2,4 m diep.
Het zwembad is helemaal vol met water.
Hoeveel liter water zit er in het zwembad?
a)
960 liter
b)
9600 dm3
c)
96000 liter
d)
960000 dm3
13.
230 miljard is gelijk aan?
a)
2,3 x 10 11
b)
2,3 x 10 9
c)
2,3 x 10 10
d)
2,3 x 10 6
14.
1 jaar is hoeveel dagen?
a)
265 dagen
b)
365 dagen
c)
364 dagen
d)
363 dagen
15.
86 km/uur is  ................ m/s Rond af op 1 decimaal.
a)
309, 60 m/s
b)
309,6 m/s
c)
23,8 m/s
d)
23,9 m/s
16.
7 m3 = .................dm3
a)
0,7 dm3
b)
0,007 dm3
c)
700 dm3
d)
7000 dm3
17.
Daan zijn tuin is 2,4 are.
Hoeveel m2 is dit?
a)
240 m2
b)
24000 m2
c)
0,24 m2
d)
2400 m2
18.
Wouter doucht elke dag 1 keer. Per keer gebruikt hij gemiddeld 16 liter. Hoeveel m3 water gebruikt Wouter per jaar?
a)
5840 m3
b)
5,84 m3
c)
58,4 m3
d)
584 m3
19.
0,75 hL is ................ dm3.
a)
0,0075 dm3
b)
0,00075 dm3
c)
75 dm3
d)
750 dm3
20.
Alisia wint 2,5 ton.
Hoeveel euro wint Alisia?
a)
€ 250000
b)
€ 25000
c)
€ 2500
d)
€ 250
21.
Mirjam heeft een mooie auto. Haar auto weegt 1,3 ton.
Hoeveel kg weegt haar auto?
a)
130000 kg
b)
13000 kg
c)
1300 kg
d)
130 kg
22.
Schrijf het volgende getal: 0,000000056 in de wetenschappelijke notatie.
a)
5,6 x 10-6
b)
5,6 x 10-7
c)
5,6 x 10-8
d)
5,6 x 10-9
23.
Een doos heeft als lengte 6 dm, breedte 50 cm en hoogte 0,45 meter.
Hoeveel liter past er in deze doos?
a)
135 liter
b)
13,5 liter
c)
1350 liter
d)
13500 liter
24.
15 m/s is ..................... km/uur. Rond eventueel af op 1 decimaal.
a)
54 km/uur
b)
5,4 km/uur
c)
4,1 km/uue
d)
4,2 km/uur
25.

Snelheid bereken je met...

a)

...afgelegde afstand gedeeld door de tijd

b)

...tijd gedeeld door de afgelegde afstand

c)

... afstand gedeeld door 3,6

26.

Snelheid geven we altijd weer als... (2 antwoorden)

a)

km/u

b)

m/s

c)

m/min.

d)

km/s

27.

Als we berekeningen maken met snelheid, doen we dat altijd in...

a)

...km/u

b)

...m/u

c)

...m/s

28.

De gemiddelde reactietijd van een mens is...

a)

... 1 minuut

b)

... 1 seconde

c)

... 1 milliseconde

29.

De stopafstand = .... + .... (wat staat er op de puntjes)

a)

(afgelegde meters in) reactietijd + remweg

b)

remweg + reactie weg

c)

1 + remweg

30.

Omrekenen: kilometers/uur naar meters/seconde is...

a)

...kilometers DELEN door 3,6

b)

...kilometers VERMENIGVULDIGEN met 3,6

c)

...kilometers VERMENIGVULDIGEN met 1000 en dan DELEN door 3600

31.

Je hebt 2 minuten de tijd - Gebruik rekenmachine!

30 km/u is omgerekend : .... m/s

a)

16,7 m/s

b)

8,3 m/s

c)

5 m/s

32.

Je hebt 2 minuten de tijd - Gebruik rekenmachine!

13,9 m/s is omgerekend : .... km/u

a)

10,50 km/u

b)

50,04 km/u

c)

38,66 km/u

33.

Stel: mijn snelheid is 13,9 m/s en ik moet plotseling remmen. Hoeveel meter leg ik af, gedurende mijn reactietijd?

a)

ong. 4 meter

b)

9,0 meter

c)

13,9 meter

34.

Je hebt 2 minuten de tijd - Gebruik rekenmachine!

Bereken de remweg bij 36 km/u ?

De remvertraging = 10 m/s2

a)

10 meter

b)

5 meter

c)

2,5 meter

35.

In één uur zitten .... seconden.

a)

60

b)

120

c)

3600

d)

216000

36.

Hoeveel jaar zijn 12 kwartalen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

37.

Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

decennium - eeuw - millennium - kwartaal

b)

kwartaal - eeuw - decennium - millennium

c)

eeuw - kwartaal - millennium - decennium

d)

kwartaal - decennium - eeuw - millennium

38.

1 jaar heeft meestal .... dagen

a)

365

b)

356

c)

345

d)

368

39.

Hoeveel minuten zitten er in een etmaal?

a)

720

b)

3600

c)

1440

d)

60

40.

Het wereldrecord op de 200 m sprint staat op naam van Usain Bolt. Hij liep zijn record in 00:19,19.

Welk antwoord klopt?

a)

Dit is: 19 seconden en 19 honderste

b)

Dit is: 19 minuten en 19 seconden

c)

Dit is: 19 honderdste en 19 duizendste

d)

Dit is: 19 uur en 19 minuten

41.

In welke richting rijd je als je naar Duitsland gaat?

a)

Noord

b)

Oost

c)

Zuid

d)

West

42.

Welke stelling is waar?

a)

Een kompas wijst altijd richting het zuiden.

b)

Als je richting het zuiden kijkt is het westen links van je.

c)

Als je de evenaar passeert is het noorden op een andere plek.

d)

Het zuiden zit op 180° op een kompas.

43.

Hoelang duurt een wandeling van 15 kilometer ongeveer?

a)

0,5 uur

b)

1 uur

c)

3 uur

d)

5 uur

44.

Hoelang duurt een fietstocht van 8 kilometer ongeveer?

a)

10 minuten

b)

30 minuten

c)

60 minuten

d)

120 minuten

45.

1 uur = (a)   seconden

46.

Een wielrenner fietst 11 m/s

Bereken de snelheid in km/h

(a)  

47.

De wielrenner fietst 39,6 km/h

Hij doet 6 uur over de gehele etappe

Hoe lang is de lengte van de etappe?

(a)  

48.

Welke grootheden horen bij 1,2 en 3?

a)

1 snelheid. 2 afstand. 3 tijd

b)

1 snelheid. 2 tijd. 3 afstand

c)

1 afstand. 2 tijd. 3 snelheid

d)

1 afstand. 2 snelheid. 3 tijd

49.

Een wielrenner rijdt met een snelheid van 43 km/u.

Een schaatser rijdt de 500 m in 33 seconden.


Wat is het verschil in snelheid van elkaar in km/u?

(a)  

50.

Senna gaat met de trein van Hilversum naar Deventer

Welke afstand zit Senna in de trein?

(a)  

51.

Hoelang zit ze in de trein van Hilversum naar Deventer?

(a)  

52.

Een voertuig heeft in 2 uur 70 km afgelegd. wat is de snelheid van het voertuig?

(a)  

53.

Wat betekent Jan rent 5 m/s ?


Jan rent ...

a)

5 meter in 1 seconde

b)

1 meter in 5 seconde

54.

Wat betekent Sanne rijdt 100 km/uur ?


Sanne rijdt ...

a)

100 km in 1 uur

b)

1 km in 100 uur

55.

5 m/s = ... km/uur

a)

18

b)

1,8

c)

1,39

d)

50

56.

12 m/s = ... km/uur

a)

43,2

b)

432

c)

3,33

d)

120

57.

25 m/s = ... km/uur

a)

90

b)

9

c)

6,9

d)

250

58.

100 km/uur = ... m/s

a)

27,8

b)

278

c)

360

d)

1000

59.

80 km/uur = ... m/s

a)

22,2

b)

2,22

c)

288

d)

800

60.

50 km/uur = ... m/s

a)

13,9

b)

19,3

c)

180

d)

500

61.

10 m/s = ... km/uur


*Rond bij kommagetallen af op 1 decimaal!

(a)  

62.

18 m/s = ... km/uur


*Rond bij kommagetallen af op 1 decimaal!

(a)  

63.

15 km/uur = ... m/s


*Rond bij kommagetallen af op 1 decimaal!

(a)  

64.

40 m/s = ... km/uur


*Rond bij kommagetallen af op 1 decimaal!

(a)  

65.

40 km/uur = ... m/s


*Rond bij kommagetallen af op 1 decimaal!

(a)  

66.

200 km/uur = ... m/s


*Rond bij kommagetallen af op 1 decimaal!

(a)  

67.

Sanne loopt 400 meter in 180 seconden.

Bereken de snelheid van Sanne in m/s.


* m/s betekent m : s

* Rond af op 1 decimaal

(a)  

68.

Dennis loopt 30 meter in 19 seconden.

Bereken de snelheid van Dennis in m/s.


* m/s betekent m : s

* Rond af op 1 decimaal

(a)  

69.

Mieke loopt 500 meter in 4 minuten.

Bereken de snelheid van Mieke in m/s.


* m/s betekent m : s

* Rond af op 1 decimaal

(a)  

70.

Nienke rent 1800 meter in 8 minuten

Bereken de snelheid van Nienke in m/s.


* m/s betekent m : s

* Rond af op 1 decimaal

(a)  

71.

Jannes loopt 2 km in 30 minuten.

Wat is de snelheid van Jannes in km/uur

(a)  

72.

Een auto rijdt 100 km/uur.

Voor een veilige remweg moeten auto's 2 seconde afstand van elkaar houden.

Hoeveel meter is dat?


* Reken de snelheid eerst om naar m/s

* Rond af op 1 decimaal

(a)  

73.

Snelheid bereken je met...

a)

...afgelegde afstand gedeeld door de tijd

b)

...tijd gedeeld door de afgelegde afstand

c)

... afstand gedeeld door 3,6

74.

30 km/h is omgerekend : .... m/s

Tip: Gebruik rekenmachine!

a)

16,7 m/s

b)

8,3 m/s

c)

5 m/s

75.

Eén uur = .... seconden.

a)

60

b)

120

c)

3600

d)

216000

76.

Hoelang duurt een wandeling van 15 kilometer ongeveer?

a)

0,5 uur

b)

1 uur

c)

3 uur

d)

5 uur

77.

4500 meter is .... km.

a)

45 km

b)

0,45 km

c)

4,5 km

d)

450 km

78.

Wat is de hoofdeenheid van snelheid?

a)

m/s

b)

km/u

c)

m

d)

s

79.
Tijd is een ....
a)

grootheid

b)

eenheid

80.

Snelheid heeft als symbool ...

(a)  

81.

Wat betekent Δt\Delta t ?

a)

Tijd

b)

Afstand

c)

Minuten

d)

Verandering in tijd

82.

Afstand heeft als symbool ... .

(a)  

83.

Welke grootheid kan je meten met dit meetinstrument?

a)

tijd

b)

seconden

c)

lengte

d)

volume

84.

Een wielrenner fietst 10 m/s.

Bereken de snelheid in km/h.

(a)  

85.

Stel je voor: Je fietst 9 km naar school. Je doet er 0,5 uur over om op school te komen. Wat is dan je gemiddelde snelheid?

a)

10 km/h

b)

14 km/h

c)

18 km/h

d)

22 km/h

86.

10 m/s is gelijk aan hoeveel km/h?

a)

2,77 km/h

b)

10 km/h

c)

36 km/h

87.

Wat voor soort beweging is dit?

a)

versnelde beweging

b)

constante beweging

c)

vertraagde beweging

88.

Wat voor soort beweging is dit?

a)

versnelde beweging

b)

constante beweging

c)

vertraagde beweging

89.

Wat voor soort beweging is dit?

a)

versnelde beweging

b)

constante beweging

c)

vertraagde beweging

90.

Waarvoor dient de kreukelzone bij een auto?

(a)  

91.

18 km/h is gelijk aan hoeveel m/s

a)

2 m/s

b)

5 m/s

c)

18 m/s

d)

56 m/s

92.

Je rijdt met de auto naar een vakantie bestemming. Je rijdt gemiddeld met een snelheid van 115 km/h. Hoeveel kilometer leg je af als je 3,5 uur rijdt?

a)

302,5 km

b)

402,5 km

c)

32,9 km

d)

332,9 km

93.

Welke formule is goed opgeschreven?

a)

Snelheid =

Afstand / Tijd

b)

Snelheid =

Tijd / Afstand

94.

Een fietser ziet een kind oversteken bij het zebrapad. Hij denkt 'hiervoor moet ik remmen'. 1,2 seconde later begint hij met remmen. Dit noem je de ......

a)

remweg

b)

reactietijd

c)

remtijd

d)

reactieweg

95.

In de auto beschermt de hoofdsteun je tegen een aanrijding van ........

a)

achteren

b)

voren

96.

Welke formule kun je gebruiken om de snelheid te berekenen

a)

snelheid = afstand x tijd

b)

snelheid = afstand : tijd

c)

snelheid = tijd : afstand

97.

Welk symbool gebruik je voor snelheid

a)

s

b)

t

c)

v

98.

Welke eenheden kun je gebruiken voor snelheid.

a)

m

b)

km

c)

m/s

d)

km/h

99.

met welke formule kun je de afstand bereken

a)

s = v : t

b)

s = t : v

c)

s = v x t

100.

Met welke formule kun je de tijd bereken

a)

t = s : v

b)

t = v : s

c)

t = s x v

101.

Welke eenheden kun je voor afstand (s) gebruiken

a)

km

b)

m

c)

km/h

d)

m/s

102.

Wat is het symbool voor afstand

a)

a

b)

s

c)

v

d)

t

103.

Welke eenheid kun je niet voor tijd gebruiken

a)

h

b)

m

c)

s

104.

Een amateur wielrenner fiets een afstand van 20 km en doet daar 35 minuten over. Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.

a)

0,57 m/s

b)

34 m/s

c)

9,5 m/s

105.

1 uur = (a)   seconden

106.

Een wielrenner fietst 11 m/s

Bereken de snelheid in km/h

(a)  

107.

De wielrenner fietst 39,6 km/h

Hij doet 6 uur over de gehele etappe

Hoe lang is de lengte van de etappe? Geef je antwoord met 1 cijfer achter de komma en vergeet de eenheid niet!

(a)  

108.

Welke grootheden horen bij 1,2 en 3?

a)

1 snelheid. 2 afstand. 3 tijd

b)

1 snelheid. 2 tijd. 3 afstand

c)

1 afstand. 2 tijd. 3 snelheid

d)

1 afstand. 2 snelheid. 3 tijd

109.

Een wielrenner rijdt met een snelheid van 43 km/h.

Een schaatser rijdt de 500 m in 33 seconden.


Wat is het verschil in snelheid van elkaar in km/h?

Alleen het antwoord met 1 cijfer achter de komma plus de juiste eenheid

(a)  

110.

Senna gaat met de trein van Hilversum naar Deventer

Welke afstand zit Senna in de trein?

(a)  

111.

Hoelang zit ze in de trein van Hilversum naar Deventer?

(a)  

112.

Een voertuig heeft in 2 uur 70 km afgelegd. wat is de snelheid van het voertuig in km/h?

(a)  

113.

Snelheid bereken je met...

a)

...afgelegde afstand gedeeld door de tijd

b)

...tijd gedeeld door de afgelegde afstand

c)

... afstand gedeeld door 3,6

114.

Snelheid geven we altijd weer als... (2 antwoorden)

a)

km/h

b)

m/s

c)

m/sec

d)

km/s

e)

km/u

115.

De stopafstand = .... + .... (wat staat er op de puntjes)

a)

(afgelegde meters in) reactietijd + remweg

b)

remweg + reactie weg

c)

1 + remweg

116.

Stel: mijn snelheid is 13,9 m/s en ik moet plotseling remmen. Hoeveel meter leg ik af, gedurende mijn reactietijd van 1 seconde?

a)

ong. 4 meter

b)

9,0 meter

c)

13,9 meter

117.

Het wereldrecord op de 200 m sprint staat op naam van Usain Bolt. Hij liep zijn record in 00:19,19.

Welk antwoord klopt?

a)

Dit is: 19 seconden en 19 honderste

b)

Dit is: 19 minuten en 19 seconden

c)

Dit is: 19 honderdste en 19 duizendste

d)

Dit is: 19 uur en 19 minuten

118.

Eenparige beweging in een vt-diagram heeft de vorm:

a)

horizontale (rechte) lijn

b)

schuine rechte lijn

c)

kromme lijn (parabool)

d)

verticale (rechte) lijn

119.

Eenparige beweging in een xt-diagram heeft de vorm:

a)

horizontale (rechte) lijn

b)

verticale (rechte) lijn

c)

kromme (parabool)

d)

schuine rechte lijn

120.

Oppervlakte onder een xt-diagram is gelijk aan de:

a)

<geen betekenis>

b)

versnelling

c)

afgelegde afstand

d)

snelheid

121.

Helling (of r.c.) in een xt-diagram is gelijk aan de:

a)

snelheid

b)

versnelling

c)

oppervlakte

d)

raaklijn

122.

Oppervlakte onder een vt-diagram is gelijk aan:

a)

de afgelegde afstand

b)

de (momentane) snelheid

c)

de (momentane) versnelling

d)

ΔxΔt\Delta x\cdot\Delta t

123.

Je ziet vier afstand-tijddiagrammen van verschillende bewegingen.


Welk diagram hoort bij een eenparige beweging?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

124.

Je ziet vier afstand-tijddiagrammen van verschillende bewegingen.


Welk diagram hoort bij stilstand?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

125.

Bekijk de afbeelding. Welke pijlgeeft de reactieafstand weer? A, B of C?

a)

Pijl A = de reactieafstand

b)

Pijl B = de reactieafstand

c)

Pijl C = de reactieafstand

d)

Dat kan je niet met zekerheid zeggen n.a.v. dit plaatje

126.

De remweg is de afstand die nodig is om te remmen tot je stilstaat.

a)

waar

b)

niet waar

127.

De remweg is korter dan de stopafstand.

a)

waar

b)

niet waar