wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Übungsprüfung Thema 3

Total questions: 16

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welk plaatje hoort bij het woord:

das Meerschweinchen

a)

b)

c)

d)

2.

Welk ezelsbruggetje heb je om werkwoorden in de tegenwoordige tijd te vervoegen?

(a)  

3.

Welke letter komt bij de tegenwoordige tijd bij de onderstaande persoon

du = stam + ______

a)

st

b)

t

c)

en

d)

e

4.

Welk woord hoort bij dit plaatje?

a)

Schaf

b)

Pferd

c)

Kuh

d)

Kaninchen

5.

Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd:

(a)   (wohnen) du in Griechenland?

6.

Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd:

Meine Tante (a)   (lieben) Haustiere.

7.

Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd:

Ich (a)   (trinken) ein Glas Milch.

8.

Wat is de regel voor het maken van een voltooid deelwoord?

a)

hele werkwoord - en

b)

stam + en

c)

ge + stam + t

d)

stam + st

9.

Maak het voltooid deelwoord:

Gestern habe ich meine Oma (a)   (besuchen).

10.

Welk rijtje van feesttenten klopt?

a)

Ich = +e

Du = +t

er/sie/es = +st

Wir = +en

Ihr = +en

Sie/sie = +en

b)

Ich = +e

Du = +t

er/sie/es = +st

Wir = +en

Ihr = +t

Sie/sie = +en

c)

Ich = +t

Du = +st

er/sie/es = +t

Wir = +en

Ihr = +en

Sie/sie = +en

d)

Ich = +e

Du = +st

er/sie/es = +t

Wir = +en

Ihr = +t

Sie/sie = +en

11.

Welke letters van het ezelsbruggetje bij werkwoorden in de tegenwoordige tijd doen niet mee?

(a)  

12.

Vervoeg het werkwoord in de tegenwoordige tijd:

Paula und Kees (a)   (kochen) Pommes und Nudeln.

13.

Welk plaatje hoort bij het woord?

Streicheln

a)

b)

c)

d)

14.

Maak het voltooid deelwoord:

Ich habe die Frage nicht (a)   (hören).

15.

Welke letters haal je eraf als je de stam van een werkwoord wil maken?

(a)  

16.

Welk woord hoort bij het plaatje?

a)

schwimmen

b)

Beißen

c)

Füttern

d)

Wandern